dinsdag 22 juli 2014

Autisme maakt gevoeliger voor beweging

Kinderen met autisme zien eenvoudige bewegingen twee keer zo snel als zich normaal ontwikkelende kinderen. Nieuw Amerikaans onderzoek laat zien waarom kinderen met autisme overgevoelig zijn voor geluid, licht en andere zintuiglijke indrukken. Die overgevoeligheid heeft grote gevolgen voor hun ontwikkeling en biedt ons handvatten voor de begeleiding.



Dat autisme vaak gepaard gaat met stoornissen in de zintuiglijke waarneming, was al langer bekend.  Onderzoekers ontdekten recent dat kinderen met autisme in het bijzonder gevoelig zijn voor het signaleren van beweging. Het onderzoek is gepubliceerd in The Journal of Neuroscience.

‘Autisme staat vooral bekend als een sociale stoornis, omdat kinderen met deze beperking vaak moeite hebben met sociale interactie en communicatie. Maar wat we wel eens vergeten is dat vrijwel alles wat we over de wereld weten, via onze zintuigen binnenkomt. Een afwijking in hoe iemand ziet of hoort kan ingrijpende gevolgen hebben voor zijn sociale ontwikkeling,’ zegt onderzoeker Duje Tadin van de Universiteit van Rochester op de Amerikaanse site Disability scoop.

 

Bewegende strepen

Tadin en zijn collega's lieten 20 kinderen met autisme en 26 kinderen zonder autisme naar een scherm kijken met zwarte en witte strepen die van de ene kant naar de andere kant bewogen. Als de kinderen correct aangaven of de strepen naar links of naar rechts bewogen, werden de filmfragmenten korter; dus werd het moeilijker de richting te bepalen. Ook het contrast tussen licht en donker werd vager, waardoor de plaatjes minder makkelijk waren te zien.

 

Overbelaste zintuigen

De onderzoekers ontdekten dat alle kinderen de test beter maakten als het contrast tussen de strepen en de achtergrond groter was, maar bij kinderen met autisme viel op dat dit verschil veel groter was dan bij hun niet-autistische leeftijdsgenootjes. Op hun best scoorden de kinderen met autisme zelfs twee keer zo goed.

Dit uitstekende vermogen om beweging waar te nemen is volgens de onderzoekers een aanwijzing dat kinderen met autisme zich heel intens kunnen concentreren op beweging. ‘Dat kan als een voordeel worden beschouwd, maar meestal stopt deze hersenactiviteit niet op tijd, waardoor de zintuigen worden overbelast,’ zegt een van de andere onderzoekers. Schakelen naar een andere bezigheid is daardoor extra moeilijk.

De onderzoekers vermoeden dat de intense – niet af te remmen - hersenactiviteit bij het zien van beweging de reden is waarom mensen met autisme zich terugtrekken: om niet overspoeld te raken door prikkels.



Wat kunnen we hier mee?

Onderwijzers, opvoeders en werkgevers moeten zich bewust worden van het effect van beweging op de prikkelverwerking van kinderen met autisme. Aan de ene kant door het zelfbeeld te verbeteren door gebruik te maken van dit talent (denk bijvoorbeeld aan Annamaria Koekkoek, Mikado, het scannen van bewakingscamera’s, vogelspotten, etc.). Aan de andere kant moeten we rekening houden met mogelijke cognitieve en emotionele gevolgen van overprikkeling. Denk aan het lopen door de klas, een plaats bij het raam, maar ook bioscoopbezoekjes, verkeersdeelname, etc.

Ook moeten we blijkbaar voorzichtig zijn met de eisen die we stellen aan het kunnen schakelen. Elke overgang heeft aandacht nodig. Niet alleen van het ene schoolvak naar het andere, maar ook van getikt worden naar de tikker zijn, van luisteren naar antwoorden, van regen naar zonneschijn. Visuele prikkels zijn vrijwel continu aanwezig.

Maar misschien nog wel de grootste uitdaging: wellicht moeten we accepteren dat een zekere mate van teruggetrokken gedrag er nu eenmaal bij hoort. Dat het voor deze kinderen overleven in de jungle is.

De paradox van het ontwikkelingsperspectief

Voor leerlingen met speciale onderwijsbehoeften moeten scholen in passend onderwijs vanaf groep 5 een ontwikkelingsperspectief (OPP) vaststellen. Hierin staat de weg naar het beoogde uitstroomprofiel van de leerling uitgestippeld. Een zoektocht door het drijfzand, zegt orthopedagoog Jos Louwe.

In de nieuwe wet passend onderwijs moeten leerkrachten meer dan ooit gaan differentiëren. De rugzakjes verdwijnen en een deel van de leerlingen uit het speciaal onderwijs moet weer terug de reguliere schoolbanken in. Grofweg zullen reguliere scholen onderscheid maken in drie instructiegroepen:

  • De helft van de leerlingen krijgt het basispakket
  • Een kwart van de leerlingen krijgt verrijkings- en verdiepingsstof
  • Een kwart krijgt intensieve begeleiding (RT, logopedie, pre-teaching)

Voor leerlingen binnen deze laatste groep die, ondanks deze extra begeleiding, niet voldoen aan de minimumleerstandaard en naar verwachting het eindniveau niet zullen halen, komt er een OPP. Leerlingen op speciale (basis)scholen krijgen er sowieso mee te maken. Binnen zes weken na aanmelding moet het OPP er liggen.


Op papier

Op papier komt te staan wat het verwachte uitstroomprofiel van de leerling wordt (het type vervolgonderwijs) en hoe het traject eruit komt te zien. Doelen worden netjes opgeknipt in halfjaarlijkse deelstappen, een en ander mede afhankelijk van het pedagogisch perspectief. Dit alles dient uiteraard op gezette tijden te worden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. Scholen krijgen de inspanningsplicht om de doelen te behalen, maar moeten er niet (financiëel) op worden afgerekend, adviseert de Evaluatie en Adviescommissie Passend Onderwijs.

Tot zover de theorie. Het eerste kritiekpunt dat Louwe aandraagt is: op basis waarvan moet een reguliere school bepalen of ze een OPP moet opstellen voor een leerling? Met andere woorden, hoe voorspel je in groep 5 of een leerling in groep 8 het basisuitstroomniveau zal halen?

Veel onderzoek dat gedaan is naar het voorspellen van leerresultaten zijn gebaseerd op leerlingen die zich lineair, dat wil zeggen in een vloeiende lijn ontwikkelen. Bij deze normaal ontwikkelende groep lukt dat voorspellen doorgaans best aardig. Leerlingen met een minder vloeiende ontwikkeling, die vaak uitstromen naar praktijkonderwijs en VSO’s blijven in onderzoek echter veelal buiten beschouwing.

Uitgerekend voor deze leerlingen moet in de toekomst een OPP worden gemaakt. Terwijl deze leerlingen zich juist kenmerken door een grillige en moeilijk te voorspellen ontwikkeling. Louwe noemt een greep uit het aantal mogelijke ontwikkelingspatronen:

  • Leerlingen die zich traag, maar gestaag ontwikkelen
  • Leerlingen die zich steeds trager ontwikkelen
  • Leerlingen die ontwikkelingshiaten vertonen (stappen overslaan in hun ontwikkeling)
  • Leerlingen met een disharmonisch profiel (bijvoorbeeld rekenen op groep 8 niveau en lezen op groep 5 niveau)
  • Leerlingen bij wie de ontwikkeling plotseling stagneert na een normale start
  • Leerlingen bij wie de ontwikkeling verlaat op gang komt


Gevaarlijke paradox

Het stroomlijnen van ontwikkeling is geen sinecure. Louwe verwijst naar de fundamentele kritiek van Wieberdink en Kuster (2011) op het voorspellen van resultaten. “Leerrendement, intelligentieontwikkeling en het onderwijsaanbod van de school beïnvloeden elkaar wederzijds en zijn deels onvoorspelbaar.  Een beslissing om het leerstofaanbod voor kinderen te beperken kan en mag niet worden genomen op basis van achterblijvende leerprestaties die mede door een kwalitatief onvoldoende onderwijsaanbod veroorzaakt zouden kunnen zijn.” Niet alleen de didactische, maar ook de sociale en emotionele problemen zijn immers regelmatig deels school-, klas- en leerkrachtgebonden. In een andere situatie was een OPP wellicht niet nodig geweest.

Ook de ECPO stelt dat het betrouwbaar voorspellen van de ontwikkeling van leerlingen in het speciaal onderwijs nauwelijks mogelijk is.

De tweede vraag van Louwe is of leerkrachten bij de invoering van het OPP niet tegen de grenzen van hun differentiatiecapaciteit aanlopen. Er schuilt een zekere paradox in het plan. Een leerling met een OPP heeft behoefte aan extra begeleiding. Teveel aparte leerlijnen in een klas vragen echter zodanig veel extra tijd en inspanning van een leerkracht, dat je je kunt afvragen of de leerling in plaats van extra aandacht misschien zelfs minder aandacht krijgt. Dat roept de vraag op of de leerling, qua leerresultaat wellicht beter af was geweest zonder OPP.


Self-fulfilling prophecy

Het OPP draagt het gevaar in zich een self-fulfilling prophecy te worden. Niet de ontwikkeling van het kind, maar het al dan niet hebben van een OPP dreigt bepalend te worden voor de uitstroom. Leerkrachten zouden van nature geneigd zijn te lage doelen te stellen, zodat de uitkomst bij voorbaat vast staat.

Moeten we het OPP dan door een geautomatiseerd programma laten opstellen, zodat er geen persoonlijke invloed is? Daarin schuilen nog grotere gevaren, volgens Louwe. De beschikbare programma’s zijn weliswaar gebruiksvriendelijk voor de school, maar veronderstellen een lineaire ontwikkeling en zijn daarom niet representatief voor de doelgroep. Ook als men besluit gebruik te maken van een automatische OPP-generator, mag een individuele afweging nooit worden overgeslagen. Dat betekent enerzijds waken voor overvraging, dus rekening houden met zaken als faalangst en motivatieproblemen. Anderzijds is het soms juist nodig om buiten de comfortzone van een leerling te treden om een vicieuze cirkel van onderpresteren te doorbreken.



Damage control

Serieuze risico’s dus, waar Louwe ons voor waarschuwt. Willen we ze tot een minimum beperken, dan moeten we proberen de OPP’s zo expliciet en waardenvrij mogelijk te maken. Dus niet “de leerling lijkt de laatste tijd depressief”, maar “de leerling heeft dit schooljaar nog niet gelachen, zegt bij voorbaat dat opdrachten toch wel zullen mislukken. Hij geeft aan dat zijn teruglopende cijfers hem niets kunnen schelen. Staat elke pauze alleen.”

Meer handen in de klas lijken niet alleen een voorwaarde voor de leerkracht om überhaupt te kunnen differentiëren, maar ook om de ontwikkeling van ieder kind zorgvuldig te kunnen monitoren, de OPP’s up to date te houden en te voorkomen dat deze meer kwaad dan goed doen.

Daarnaast moeten we in de OPP’s expliciet aandacht schenken aan de talenten van leerlingen en deze laten meewegen in de beslissing over het beoogde uitstroomprofiel. Ouders en kinderen moeten zich mede-eigenaar voelen van het plan en een actieve rol krijgen in de uitvoering. Belangrijk is dat het OPP niet gezien wordt als kenmerk van de leerling, maar als het perspectief dat de school de leerling biedt, onderschrijft Louwe.  Passend onderwijs is maatwerk en elke dag anders.

Wie schrijft die blijft (zitten?)

Stel dat Steve Jobs vanaf zijn Cloud neerkijkt op de naar hem vernoemde ‘virtuele’ scholen. Zou hij vervuld zijn van trots? Is dit wat hij voor ogen had? Of is zijn doel nog lang niet bereikt en heeft hij postuum nog veel meer voor ons in petto? Veel Nederlanders zijn huiverig voor het oprukken van de iPad in het basisonderwijs. Toch kan niemand zijn bezwaren onderbouwen met wetenschappelijke argumenten. We weten immers niet wat de langetermijneffecten zullen zijn op de ontwikkeling van kinderen.



Wat we wel weten is dat schrijven met de hand goed is voor de fijne motoriek.  Schrijven vereist een nauwkeurige afstemming van onze ogen, hersenen, nek tot en met de vingerspieren. Alleen in de hand zijn al 29 gewrichten en 35 werkzame spieren betrokken. Deze complexe handeling vraagt veel oefening. En die volharding wordt beloond: zonder fijne motoriek is het lastig koken, fietsbanden plakken, cadeaus inpakken, etc. Het is aannemelijk dat op de Steve Jobsscholen iPad tijd ten koste gaat van tijd die anders aan schrijven, en meer algemeen aan de fijne motoriek zou worden besteed. Een verademing voor leerlingen voor wie elke schrijfles een kwelling is.

Maar tegelijkertijd weten we ook dat kinderen met een onhandige motoriek juist veel baat hebben bij oefening. Bewegingswetenschapper Anoushka Niemeyer waarschuwt voor het risico van vermijding. Zij hekelt de achterhaalde opvatting dat kinderen vanzelf over hun motorische problemen heen groeien.  “De problemen vallen met het ouder worden alleen minder op, doordat ze bepaalde taken gaan vermijden. Niet mee kunnen doen heeft echter grote gevolgen, niet alleen op het gebied van zelfstandigheid, maar ook sociaal en emotioneel”. En het vermijden van vervelende oefeningen wordt met een iPad binnen handbereik natuurlijk wel heel erg makkelijk.


Cognitieve gevolgen

Iets minder zeker is men echter over de gevolgen voor de cognitieve ontwikkeling. Onderzoekers aan de universiteit van Indiana lieten één groep kinderen oefenen op het schrijven van blokletters met de hand, terwijl een tweede groep alleen maar keek naar voorbeelden met A’s, B’s en C’s. Vervolgens ondergingen beide groepen een MRI, die een scan van hun hersens maakte toen de onderzoekers hen letters lieten zien. De neurale activiteit bij de eerste groep was veel beter en ‘volwassener’, ontdekten de onderzoekers. Conclusie: schrijven is goed voor de hersenen.
Maar was het nu de handbeweging die de hersenen activeerde, of het mentale proces achter het vormen van een letter? Het onderzoek was voor deze discussie waardevoller geweest als ze schrijvende kinderen hadden vergeleken met typende kinderen, in plaats van met lezende kinderen. Niet erg overtuigend dus.

Bovendien beweren de initiatiefnemers van de Steve Jobs-scholen dat hun leerlingen juist extra cognitief uitgedaagd worden doordat oefeningen makkelijk op het eigen niveau aangepast kunnen worden. Frans Schouwenburg van Kennisnet plaatst hierbij echter de kanttekening dat er nog lang niet genoeg goed leermateriaal beschikbaar is voor de I-pad.


Vind ik leuk

Mensen die beweren dat een goed handschrift noodzakelijk is voor het ontwikkelen van zelfvertrouwen en een gezonde emotiehuishouding begeven zich op nog gladder ijs. Schrijven zou kinderen helpen zich te leren uiten, zo wordt bepleit door het Platform Handschriftontwikkeling.  Bovendien zouden kinderen door te leren schrijven meer discipline aanleren. Dat als je iets wil bereiken, je er iets voor moet doen.

Klinkt niet gek, maar ook hier moeten we opletten wat we precies met elkaar vergelijken. Dat kunnen schrijven beter is voor ons emotioneel welbevinden en onze eigenwaarde dan niet kunnen schrijven is natuurlijk iets anders dan dat schrijven beter is dan typen, klikken of swipen.


Zuivere boodschap

Een andere discussie vindt plaats op het gebied van communicatie. Online communiceren gaat  misschien sneller, maar -alle emoticons en personalized profiles ten spijt- gaat er digitaal wellicht toch de nodige nuance verloren in de boodschappen die we uitwisselen.

Dat kan zowel voor- als nadelen hebben. Een handschrift weerspiegelt voor een deel iemands persoonlijkheid, of we dat nu willen of niet. Digitaal bepalen we vooral zelf wat voor indruk we willen maken op de ander. En dat is niet altijd conform de waarheid. Aan de andere kant maakt een leerling met hanenpoten op de iPad een even grote kans op een acht dan een kind met een voorbeeldig handschrift. Leerkrachten kunnen objectiever de inhoud beoordelen en zullen minder ‘discrimineren’ op handschrift.

Samengevat zijn waarschijnlijk lang niet alle bezwaren tegen iPad-scholen terecht. De tijd zal het moeten leren. Ondertussen moeten tussentijdse verscherpte inspecties eventuele schade voor deze proefkonijngeneratie beperken. iPad-scholen moeten goed opletten dat ze werken aan de gehele ontwikkeling van kinderen, dus ook aan motoriek en sociale vaardigheden. Maar het belangrijkste is dat scholen zich bij hun keuzes laten leiden door de inhoud van het onderwijs en niet door de techniek. Hulpmiddelen maken het leven makkelijker, maar we moeten er niet afhankelijk van worden. Door de uitvinding van de auto zijn we immers ook niet gestopt met leren lopen.

dinsdag 21 mei 2013

Autisme en intimiteit: ingewikkeld maar niet onmogelijk

Autisme en intimiteit: ingewikkeld maar niet onmogelijk "Het is dat ik van de tv en internet ongeveer weet wat er op dat vlak verwacht wordt in een relatie, anders had ik er waarschijnlijk weinig van gebakken. Ik voel me zo fake. Het is toch belachelijk dat dat bij mij en andere autisten niet automatisch gaat. Ik heb bij de meeste sociale dingen totaal geen gevoel maar probeer uit alle macht een normaal persoon te acteren."


Zomaar een uitspraak van iemand op een autismeforum. Intimiteit is voor mensen met autisme niet vanzelfsprekend, vaak verwarrend en zelfs frustrerend. Het is niet voor niets dat slechts een minderheid aangeeft een goede vriend te hebben. Om nog maar te zwijgen over het aantal dat er in slaagt een liefdesrelatie te onderhouden. Immers, hoe intiemer de relatie, hoe minder regels, dus hoe lastiger. Maar dat betekent niet dat mensen met autisme geen behoefte aan intimiteit hebben.
In het verleden werd gesuggereerd dat het liefdesleven van mensen met autisme ook nog eens bemoeilijkt werd door een afwijkende seksuele oriëntatie. Inderdaad bleek homoseksualiteit meer voor te komen bij autistische mannen. Totdat men ging inzien dat 'gelegenheidshomoseksualiteit' de cijfers waarschijnlijk heeft vertekend. Autistische mannen begeven zich vaker dan gemiddeld in kringen met overwegend seksegenoten. Toeval dus.

Wat maakt intimiteit zo ingewikkeld? Aan de motivatie ligt het doorgaans niet, volgens Peter Vermeulen van Autisme Centraal. Dat líjkt op het eerste gezicht misschien zo door het gebrek aan empathie dat samengaat met autisme. Moeite met inleven moeten we echter niet verwarren met egoïsme of het zich niet willen hechten aan mensen. Sterker nog, vaak doen mensen met autisme er alles aan om een relatie te laten slagen. Maar helaas is dat niet voldoende.


Van imitatie naar intimiteit

Ook de verwachtingen en verlangens wijken niet zozeer af van mensen zonder autisme. Het probleem zit hem meer in de vaardigheden. Niet alleen op communicatief vlak, maar ook in het sociaal-emotionele functioneren. Vermeulen geeft hier het voorbeeld van een man die bij zijn vrouw het verschil niet kan zien tussen verdriet en verkoudheid. En het vervolgens nog erger maakt als hij aan haar voorstelt om toch eens een dokter te bezoeken. Hij beseft niet dat híj zelf de aanleiding is van haar gesnotter.


Enerzijds is het voor mensen met autisme lastig om signalen bij de ander te herkennen. Anderzijds zaaien mensen met autisme zelf geregeld verwarring, bijvoorbeeld door een slechte timing of zeer directe, niet in de context staande uitspraken. Autistisch geredeneerd hoeft de zin "Ik wil trouwen" niet te betekenen dat de man die dit zegt een liefdesrelatie wil. Hij kan bijvoorbeeld ook in paniek zijn geraakt doordat zijn broers getrouwd zijn en hij nu denkt dat hij aan de beurt is.


Dit voorbeeld geeft meteen aan welke rol de omgeving kan spelen. Zoals alle sociale vaardigheden valt of staat ook de ontwikkeling van intieme vaardigheden bij goede voorbeelden, expliciete uitleg en veel oefening. Wat helaas niet echt meehelpt, is dat mensen met autisme in hun leven van nature weinig gezond voorbeeldgedrag te zien krijgen. Hun sociale netwerken zijn doorgaans beperkt. Daarbij speelt een groot deel van hun leven zich af in bijzondere kringen van speciaal onderwijs, hulpverlening en in begeleide werk- en woonvormen. En niet te vergeten het dikwijls bijzondere gezin.



De paradox van de troostende hand

Dan zijn er ook nog de fysieke uitdagingen die bij intimiteit horen. Op hetzelfde autismeforum schrijft iemand:
"Ik ben heel erg gevoelig voor aanrakingen, dus heb ook moeite me te laten knuffelen. Ik moet iemand heel goed kennen en echt vertrouwen voor mijn "Alarm! Alarm! Er zit iemand aan me!"-reactie achterwege blijft. En met troosten, of zelfs ook met samen zitten bijvoorbeeld, moet de ander zijn/haar handen stilhouden. Vasthouden gaat nog (is zeg maar een eenmalige "Alarm!" die ik dan kan uitzetten als "Nee is niet erg"}, maar als de hand beweegt komt hij natuurlijk steeds op een ander plekje en gaat er de hele tijd een "Alarm"-signaal in mijn hoofd af, dat mijn hersens dan dus steeds moeten beoordelen. Dan word ik dus gestresster van het troostrijk bedoelde aaien dan wanneer men me gewoon met rust laat."

Andere mensen zijn juist kwetsbaar door hun hoge pijngrens, waardoor ze letterlijk of figuurlijk beschadigd kunnen raken. Helemaal bij mensen met een verstandelijke beperking ligt dit gevaar op de loer.
Vermeulen hamert erop dat begeleiders voortdurend bezig moeten zijn de juiste balans te vinden tussen het bieden van kansen en het voorkomen van frustraties. Soms is een paternalistische houding noodzakelijk om mensen te behoeden voor mislukkingen. 'Onschadelijke' alternatieven bieden voor zowel fysieke behoeftes, ontspanning als intimiteit horen ook daarbij.

Verder raadt de expert aan bij educatie rondom dit thema voor jongeren met autisme niet meteen op het niveau van seks en liefdesrelaties in te steken, maar liever op het niveau van vriendschapsrelaties te beginnen. In het sekseducatieprogramma Seks@autisme.kom van Autisme Centraal, ligt dan ook veel nadruk op het verhelderen van relaties en intimiteit. Gelukkig blijkt het ingewikkelde spel ook bepaalde regels te kennen die de deelnemers het broodnodige houvast kunnen bieden. En zelfs dan blijft het moeilijk, maar niet onmogelijk.



Bron

Levenslessen op een sportveldje

Een jaar nadat Richard Krajicek in 1996 Wimbledon op zijn naam schreef riep hij zijn eigen Foundation in het leven. Inmiddels heeft de Richard Krajicek Foundation (RKF) meer dan tachtig sportveldjes aangelegd in problematische stadswijken in Nederland. Deze multifunctionele playgrounds – niet te verwarren met de traditionele speeltuin met schommel en wipkip- moesten een veilige ‘eigen’ plek voor de jeugd vormen. Kwalitatief onderzoek naar de maatschappelijke betekenis van sport geeft ons veel inzicht in de manier waarop bovenstaande playgrounds bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen. De rol van de sportleider blijkt hierbij essentieel.


Een aantal middagen per week organiseren sportleiders activiteiten op de veldjes van de RKF. Maar ook daarbuiten is de aantrekkingskracht op de jongeren groot. Het houdt ze letterlijk van de straat.  De playgrounds vormen tegelijk een sociale ontmoetingsplek. Er komt een gevarieerd publiek op af, wat ervoor zorgt dat de jongere kinderen in de gaten worden gehouden door hun oudere broers en zusjes.


Bij het sporten meten de jongeren zich met elkaar. Respect kun je verdienen door een goede spelbeoefening, maar ook op verbale en non-verbale manieren. Een bepaalde mate van strijd is daarbij heel gezond en natuurlijk. Maar op een openbaar plein kan het recht van de sterksten gaan domineren, wat vervolgens kan zorgen voor een onveilige sfeer en buurtoverlast. Dat is meteen een van de belangrijkste taken van de sportleiders: het letterlijk en figuurlijk bewaken van de grenzen en zorgen dat iedereen zich er veilig voelt, ook meisjes en jonge kinderen. En daarvoor is het soms ook nodig om jongeren de toegang te weigeren.



Voorbeeldfunctie


Om hun werk te kunnen doen moeten sportleiders respect, vertrouwen en overwicht bij de kinderen weten te krijgen. Dat is niet alleen een kwestie van persoonlijkheid. Simpelweg goed kunnen sporten, op zijn minst voetbal, is echt een voorwaarde. Daarnaast speelt ook de etnische achtergrond een rol, evenals pedagogische en communicatieve vaardigheden. De jongeren testen een sportleider de hele dag uit. Iets eenvoudigs als de beschikking hebben over goede materialen blijkt te helpen om gezag te verwerven. Zoals één van de leiders zegt: “Als de kinderen iets willen hebben, moéten ze daarvoor wel naar mij luisteren.”
De sportleiders hebben een voorbeeldfunctie. De verantwoordelijkheid of ‘macht’ die je als sportleider hebt, vinden veel kinderen erg interessant. Een tweede project van de Richard Krajicek Foundation sluit hierop aan. ‘Scholarship’ is een programma waarbij betrokken jongeren uit de buurt een studiebeurs ontvangen tot- in veel gevallen- sportleider. In ruil daarvoor begeleiden de jongeren 100 uur sportactiviteiten op hun eigen playground.



Hoe ging het op school?


Naast rolmodel zijn de sportleiders dus ook tussenpersoon. Aan de ene kant om talent te scouten en aan de andere kant om problemen te signaleren en jongeren te begeleiden naar instanties. Een sportleider vertelt: “Mijn eerste vraag is altijd: hoe ging school vandaag? Sommigen laten me dan meteen het cijfer op hun proefwerk zien, zij krijgen mijn complimenten. Maar ook de anderen –meestal met mindere cijfers- krijgen mijn aandacht.”
Door intensief, maar informeel met de jongeren bezig te zijn, bouw je een vertrouwensband met ze op. Vaak namen sportleiders dan ook de rol van vertrouwenspersoon en raadgever op zich.  Maar deze relatie is kwetsbaar, omdat de vertrouwelijkheid op gespannen voet kan staan met de ‘signaalfunctie’, op het moment dat een sportleider zich genoodzaakt ziet bepaalde informatie door te geven aan instanties.
Concluderend dragen de playgrounds op drie manieren bij aan de ontwikkeling. Ten eerste zorgt het bieden van een eigen ruimte voor zelfontplooiing. Ten tweede leren kinderen sociale vaardigheden door het omgaan met buurtgenoten. En tot slot kunnen strijd en conflict bijdragen aan respect en het ontwikkelen van eigenwaarde.



Bron
  • Vermeulen, J. & Verweel, P. Sport en jeugd: de Krajicek playground als context voor ontwikkeling. Tijdschrift voor orthopedagogiek, september 2012.

Ik voel ik voel wat jij niet voelt

Vraag iemand waar hij of zij aan denkt bij autisme en je hoort al gauw het woord ‘inleven’ voorbij komen. Dr. Herbert Roeyers van de Universiteit Gent heeft zich jarenlang verdiept in het inlevingsvermogen van mensen met autisme. Op het congres van de Nederlandse Vereniging Autisme van 5 oktober 2012 presenteerde hij zijn nieuwste bevindingen. Niet zozeer het gebrekkige inlevingsvermogen zelf, maar een tekort aan gedeelde aandacht blijkt de boosdoener.


Om ons duidelijk te maken hoe hij tot die conclusie is gekomen, vertelt dr. Roeyers eerst iets over de geschiedenis van onderzoek naar inlevingsvermogen.
Dertig jaren geleden deden wetenschappers de eerste onderzoeken naar het fenomeen. Theory of Mind werd het ook wel genoemd, kortweg ToM. Zij ontdekten met de beroemde false belief-test van Sally en Anne (zie onderaan deze pagina) dat kinderen met autisme niet snappen dat een kind iets anders denkt dan zij. Dat zij zelf informatie hebben die een ander niet heeft. Mooie voorbeelden zijn de sprookjes van Sneeuwwitje en Roodkapje. Het verhaal wordt spannend omdat je als lezer begrijpt dat beide meisjes niet weten dat er een verklede heks of wolf schuilgaat achter de façade van het oude vrouwtje of de zieke oma.



Geen kwestie van alles of niets

Er was echter een probleem met de false-belief test, vertelt dr. Roeyers zijn publiek op meeslepende wijze. Twintig procent van de kinderen met autisme slaagde namelijk wél op de test. Inlevingsvermogen kon dus niet als hét centrale kenmerk van autisme worden beschouwd. Ook bij moeilijkere opdrachten waarbij kinderen zich moesten verplaatsen in meer complexe gedachten, gevoelens van anderen en humor bleef een aantal kinderen met autisme goed scoren.
De wetenschappers concludeerden dat ToM geen kwestie van alles of niets kon zijn. Bovendien leek het te verbeteren met het ouder worden. Volwassenen met autisme kunnen zich bij bovenstaande opdrachten vaak prima redden. Toch passen ze deze kennis in het dagelijks leven niet adequaat toe. Waarom weten we niet, erkent Roeyers. En zo ging de zoektocht verder.



Gedeelde aandacht is het halve werk

Er moest meer zijn. Hoe kunnen we immers anders al typisch autistische gedragingen vaststellen voor het vierde levensjaar, terwijl inlevingsvermogen zich normaal pas vanaf die leeftijd ontwikkelt? Voortbordurend op dat gedachtespoor kwamen wetenschappers uit bij wat leek een cruciale voorloper van autisme: gedeelde aandacht, of in het Engels joint attention. Waar je bij normaal ontwikkelende kinderen vanaf jonge leeftijd ziet dat ze wijzen naar een voorwerp om je aandacht te trekken, of jouw vinger volgen, gebeurt dit bij kinderen met autisme niet. Joint attention is een zogenaamde scharniervaardigheid, een vaardigheid die nodig is om allerlei andere vaardigheden te leren zoals taal, cognitieve vaardigheden en inlevingsvermogen.
Roeyers laat een filmpje zien over het begrijpen van andermans intenties. In het eerst fragment reikt de onderzoeker een baby een stuk speelgoed aan, maar laat het op het laatste moment ‘per ongeluk’ uit zijn handen vallen. In het tweede fragment doet hij hetzelfde, maar trekt hij op het laatst zijn hand terug. In de eerste situatie reageren baby’s duidelijk minder gefrustreerd dan in de tweede. In de tweede situatie zoeken ze duidelijk oogcontact: wat doe je nu? Bij baby’s met autisme is er echter geen verschil in de reactie: ze kregen in beide gevallen het speelgoed niet en de intentie van de ander speelt daarbij geen rol.



Ketting doorbreken

Roeyers denkt dat de gerichtheid van baby’s op sociale prikkels en het begrijpen van intenties onderliggende processen zijn die een rol spelen bij joint attention. Joint attention is op haar beurt een voorwaarde voor het ontwikkelen van inlevingsvermogen. Het doel van vroegdiagnostiek is om deze kettingreactie vroegtijdig te doorbreken, zo sluit hij zijn verhaal af. De vertraagde ontwikkeling van inlevingsvermogen is een teken dat het mogelijk is deze te stimuleren. En dat doen we dus door te beginnen bij het trainen van gedeelde aandacht.



Bron
sallyenanne.JPG

donderdag 27 september 2012

Klasgenootjes voorspellen je persoonlijkheid, beter dan jijzelf


Klasgenootjes voorspellen je persoonlijkheid beter dan jijzelfWe kennen onszelf minder goed dan we denken. Onze omgeving daarentegen heeft wél een adequaat beeld van ons. Zelfs kinderen hebben dat al van elkaar. Nieuw onderzoek toont aan dat onze klasgenootjes van vroeger goede voorspellers waren van ons toekomstig succes. Ze zaten er in ieder geval minder ver naast dan onze eigen voorspellingen.
 

Lisa Serbin van de afdeling Psychologie van de Concordia Universiteit in Montreal publiceerde onlangs de resultaten van een langlopend onderzoek naar voorspellers van succes in volwassenheid. Haar conclusie was dat kinderen door vragenlijstjes over elkaar in te vullen, een nauwkeuriger voorspelling kunnen geven van elkaars persoonlijkheden op latere leeftijd dan dat ze dit van zichzelf konden.

“Mijn collega’s zijn in 1976 al begonnen met deze studie, die bekend staat als het Concordia Longitudinal Risk Project”, vertelt Serbin. “Twee jaar lang hebben ze toen gegevens verzameld bij leerlingen van verschillende leeftijden. De kinderen moesten van elk van hun klasgenootjes beoordelen hoe agressief ze ze vonden, hoe graag ze ze mochten en hoe teruggetrokken ze ze vonden.” 


Geduld wordt beloond 

Sinds die tijd hebben onderzoekers geprobeerd de opgroeiende kinderen te blijven volgen. Tussen 1999 en 2003 hebben ze 700 mensen uit de oorspronkelijke studie opnieuw onderzocht. Dit deden ze aan de hand van de Big Five van persoonlijkheidskenmerken: Flexibiliteit/Openheid voor ervaringen, Zorgvuldigheid, Extraversie, Vriendelijkheid en Emotionele stabiliteit. Nu, bijna tien jaar later blijkt alle moeite niet voor niets te zijn geweest. Kinderen blijken erg goede voorspellers van elkaars succes op latere leeftijd. Toch zijn de onderzoekers niet echt verrast met deze uitkomsten.  “Kinderen brengen ontzettend veel tijd met elkaar door, en zijn daarbij voortdurend in interactie met elkaar. Eigenschappen als agressie en leuk gevonden worden zijn extreem belangrijk op school.”

Een voorbeeld van een opvallend verschil zat in het teruggetrokken gedrag. Kinderen die zichzelf beoordeelden als teruggetrokken, bleken op latere leeftijd vooral op te vallen door hun beperkte zorgvuldigheid. Zij waren lakser, minder zorgzaam en vertoonden vaker een gebrek aan motivatie. Kinderen waarvan de omgeving zei dat ze teruggetrokken waren, bleken op latere leeftijd daadwerkelijk minder extravert. Deze uitkomst ligt een stuk dichter bij de voorspelling van de klasgenoten dan van de kinderen over zichzelf.
Iets vergelijkbaars bleek te gelden voor leuk gevonden worden.  Als anderen dit als kind van je zeggen heb je veel kans ook op latere leeftijd vriendelijk en zorgvuldig te zijn. Het feit dat je jezelf leuk vindt als kind, biedt hiertoe geen garanties.


N = 1, dus onbetrouwbaar

Is onze zelfreflectie dan echt zo beroerd? We moeten niet vergeten dat de mening van een hele klas gebaseerd is op een groot aantal en de mening over jezelf slechts op één. Een gemiddelde is altijd betrouwbaarder en objectiever dan één absolute waarde. Stel dat die ene persoon op dat moment niet lekker in zijn vel zat of juist net een groot compliment had gekregen. Dat kan zijn waarneming over zichzelf enorm inkleuren. Psychologische onderzoekers trekken de betrouwbaarheid van zelfreflectie en zelfinzicht dan ook vaak in twijfel. Getuigenverklaringen bijvoorbeeld staan bekend om hun risico op verdraaiingen en toevoegingen.

Toch denkt Serbin dat deze studie belangrijke implicaties heeft. “Kinderen reiken ons de risicofactoren op een presenteerblaadje aan! Dat zijn de aanknopingspunten voor behandeling van gedragsproblemen.” Alle reden dus om regelmatig een sociogram af te nemen in de klas en deze ook serieus te nemen. De uitvallers hebben hulp nodig, die les moeten we trekken. Een kind dat er dankzij die hulp in slaagt zijn agressieve of teruggetrokken gedrag om te buigen in pro-sociaal gedrag, mag daar dertig jaar later dus nog steeds dankbaar voor zijn.


Bron

donderdag 20 september 2012

Spreekbeurt vanuit huis

De tijd van langdurig thuiszitten en bergen achterstand oplopen is voorbij. Ook binnen het speciaal onderwijs wordt het mogelijk te leren op afstand, dankzij een geavanceerd webcam-systeem. De dr. A. Verschoorschool in Nunspeet heeft met de WebChair een primeur in huis. Leerlingen die door hun angsten of moeilijke gedrag tijdelijk niet in de klas kunnen zitten, zijn er voortaan toch gewoon bij.

Zo voelt het althans. Marlies Wesselink van de Technische Universiteit Eindhoven raakte zo enthousiast over de WebChair, dat ze besloot haar afstudeeronderzoek er aan te wijden. En de Verschoorschool wou maar al te graag haar wetenschappelijke speeltuin zijn. Op 11 september jl. presenteerde de jonge onderzoekster haar resultaten aan het grote publiek.

Marlies legt uit hoe het werkt: "Met de WebChair kunnen kinderen vanuit een veilige ruimte volgen wat er in de klas gebeurt. Ze bepalen zelf waar ze de camera op willen richten en kunnen bijvoorbeeld inzoomen op het schoolbord om beter te kunnen lezen wat er staat." Maar het werkt ook andersom, vertelt Marlies. "De leraar en klasgenoten kunnen het kind live zien op een verplaatsbaar scherm dat in de klas staat. In de kring zitten, je vinger opsteken, liedjes meezingen, een spreekbeurt houden, het kan allemaal. Leerlingen hebben dus echt het gevoel dat hun klasgenootje er gewoon bij is."

De WebChair werd oorspronkelijk ontwikkeld voor kinderen die vanwege een ziekenhuisopname niet naar school konden. Uit het onderzoek van Marlies blijkt dat er ook een andere doelgroep staat te springen om WebChairs. Veel kinderen op de Verschoorschool hebben een vorm van autisme. Bijna allemaal zijn ze extreem gevoelig voor prikkels. Dat maakt dat ze soms even 'op adem moeten komen'. Dat kan thuis, maar ook in een aparte prikkelarme ruimte in de school. Een safe-room noemen ze die op de Verschoorschool. De WebChair zorgt ervoor dat het contact met de klas toch in stand blijft, ook al zit het kind er niet echt. Dat is heel belangrijk, want hoe langer je weg bent, hoe moeilijker het is om terug te keren.


Geen doel maar middel

Marlies benadrukt dat de Webchair geen vervanging of doel op zich is. "Het is de bedoeling om kinderen geleidelijk te laten wennen aan de klas en zo te laten re-integreren." Maar bang dat kinderen de WebChair zo comfortabel vinden dat ze niet meer terug willen is Marlies niet. "Ik heb met eigen ogen gezien hoe een jongen die absoluut niet in de klas kon meedraaien, binnen een paar weken om was. Doordat hij met de WebChair van een veilige afstand mee kon kijken, zag hij al snel dat het helemaal niet zo eng was en eigenlijk best wel gezellig. Hij kreeg steeds meer het gevoel van 'ik wil daar bij zijn'. En dus was na een kort traject de WebChair al niet meer nodig."
Hoewel het voor zowel de leerkrachten als de leerlingen even wennen was hoe ze om moesten gaan met deze 'klasgenoot 2.0', reageerden de kinderen over het algemeen erg goed op de WebChair. 'Je merkt eigenlijk helemaal niet dat Stefano er niet echt bij is', merkte een klasgenootje op. Medeleerlingen mochten in de testfase ook een kijkje nemen aan de andere kant van de WebChair. Een aanbod dat maar weinig kinderen van de Verschoorschool weigerden, gezien de voorliefde voor techniek die veel kinderen met autisme hebben.


Kinderziektes

Toch waren er in het begin wel wat technische problemen, met name met het geluid en de camerabesturing. "Dan merk je hoe afhankelijk je bent van het apparaat, want op zo'n moment ben je dus meteen het contact kwijt."

Bovendien is nog niet helemaal duidelijk welke leerlingen het meeste kunnen profiteren van de WebChair. Kunnen omgaan met teleurstellingen bleek in de testfase in ieder geval een pré, gezien de frequente storingen. Marlies raadt haar opvolgers dan ook aan hier in vervolgonderzoek naar te kijken. Dát er een vervolg gaat komen is zeer waarschijnlijk, want Marlies' pionierswerk opent volgens haar begeleiders van de universiteit allerlei subsidiedeurtjes. Er is al interesse uit Amerika.

Tot slot, niet onbelangrijk, wat voor prijskaartje hangt er aan? Eén abonnement blijkt al gauw driehonderd euro per maand te kosten. Maar daarmee spaar je dure begeleidingskosten uit, belooft de producent. Een Persoons Gebonden Budget kan ouders en school bovendien tegemoet komen in de kosten. Maar uiteindelijk is het natuurlijk het resultaat dat telt.

vrijdag 31 augustus 2012

Weg met die labels!

Weg met die labels!Minder kinderen met een labeltje. Een populaire verkiezingsleus in deze campagnetijd, die menig professional en ouder aanspreekt. Maar met enkel het schrappen van een label los je de problemen van een kind natuurlijk niet op. Hoe moet het dan wel? Een korte analyse met twee deskundigen aan het woord.

De afgelopen jaren is het aantal kinderen met een stoornis explosief toegenomen. Tegelijkertijd staat het belangrijkste handboek voor de classificatie van psychische aandoeningen, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) aan de vooravond van grote veranderingen. Vijftig jaar geleden werd de DSM ingevoerd om meer eenheid te brengen in het vaststellen van diagnoses. Inmiddels, vier versies verder, is de DSM wereldwijd beroemd en berucht om zijn codes en hokjes.

Een grote verandering in de nieuwe versie die in mei 2013 uitkomt wordt de categorisering van autisme. In plaats van Klassiek Autisme, het Syndroom van Asperger en PDD-NOS komt er één categorie autisme spectrum stoornissen (ASS). De reden hiervan is dat de verschillende subtypen teveel overlap hebben en één vorm meer recht doet aan de huidige stand van kennis. Wel kan de diagnosticus aangegeven hoe hevig iemand aan de stoornis lijdt.


DSM vaak verkeerd gebruikt

Professor dr. Rutger Jan van der Gaag vindt dat de DSM 5 de beste garantie biedt voor vooruitgang in het onderzoek naar psychiatrische stoornissen, maar dat het boek vaak ten onrechte wordt gebruikt om een diagnose te stellen. "Het is een classificatiehandboek voor communicatie tussen professionals en uitgangspunt voor wetenschappelijk onderzoek." Dus niet om aan ouders uit te leggen wat hun kind heeft.

Er zijn ook tegengeluiden. Hoogleraar prof. Dr. Jan Derksen heeft bijvoorbeeld bezwaar tegen de vernieuwingen in de DSM 5. "De grenzen van stoornissen worden opgerekt tot het normale. Het gevolg is dat er steeds meer etiketten worden uitgedeeld. Daar worden weer behandelingen aan gekoppeld en zelfs geldbedragen. Dan ben je ziekte aan het bevorderen en doe je niet wat we eigenlijk moeten doen: gezondheid stimuleren."

Professor dr. Rutger Jan van der Gaag heeft daar een andere mening over. "De stoornissen zijn niet toegenomen, maar het onderwijs is minder gestructureerd geworden en de maatschappij stelt hogere eisen waardoor een stoornis vaker tot problemen leidt. Het oprekken van criteria speelt wel mee, maar dat maskeert de gevolgen van maatschappelijke veranderingen." Hij ziet meer heil in het investeren in het onderwijs, om het aantal kinderen dat last heeft van lichte vormen van ADHD en autisme terug te dringen. Hij wil de groei niet kunstmatig verminderen door de criteria weer strenger te maken, zoals wel wordt geopperd door critici.


Belangenverstrengeling

Een ander punt van kritiek is dat veel samenstellers van de DSM 5 banden hebben met de farmacie. Meer kinderen met ADHD betekent meer medicijngebruik en dus meer geld. Het onlangs verschenen boek van psycholoog Laura Batstra heeft deze discussie in de media flink doen aanwakkeren. In 'Hoe voorkom je ADHD? Door de diagnose niet te stellen' trekt Batstra fel van leer tegen de veronderstelde overdiagnose van ADHD. Vooral de farmacie moet het ontgelden. Maar de groep die zich het meest gekwetst voelt, is die van ouders van kinderen met ADHD.


Etiketjes in Passend Onderwijs
 
Tot de invoering van Passend Onderwijs is er nog altijd sprake van slagboomdiagnostiek om toegelaten te worden tot het speciaal onderwijs. Is er een DSM-classificatie vastgesteld dan kan dit deuren openen tot het speciaal onderwijs, een PGB of een vergoeding door zorgverzekeraars. Met de invoering van Passend Onderwijs verandert deze systematiek. Minder bureaucratie, zo luidt het devies. De huidige onafhankelijke regionale toelatingscommissies (CvI's) worden opgedoekt. Elk samenwerkingsverband van scholen krijgt straks één pot geld en regelt haar eigen toelatingseisen. Maar hoe die eisen eruit gaan zien is nog niet bekend. Wellicht aan de hand van een nieuwe DSM-classificatie?


Bron

donderdag 16 augustus 2012

Feedback niet altijd goed voor prestatie

Al uw aanmoedigingen en opbouwende kritiek aan uw kinderen en leerlingen zouden wel eens verspilde energie kunnen zijn. Die conclusie zou je kunnen trekken uit het onderzoek van dr. Magda Osman van de Universiteit van Londen. Gelukkig wordt de soep iets minder heet gegeten. Het effect van onze feedback valt of staat bij een goede dosering.

Dr. Osman ontdekte dat de feedback die we geven aan onze omgeving niet altijd het gewenste effect heeft. Soms zelfs een averechts effect. "Het belang van feedback is overschat, zo blijkt uit onze studie. Mensen denken dat feedback altijd goed is voor de prestaties, hoe vaker hoe beter. Wij hebben echter aangetoond dat de prestatie op ingewikkelde taken juist verslechtert als je mensen tussentijds feedback geeft."
Dr. Osman denkt dat de prestatie achteruit gaat doordat mensen overspoeld worden met informatie. Of het nu positieve of negatieve feedback was, mensen werden er door afgeleid en konden zich minder goed concentreren op het maken van de juiste keuze.

Tijdens het onderzoek moesten honderd proefpersonen een inschatting maken van de gezondheid van een baby en vertellen wat het kind volgens hun nodig had. Een ingewikkelde taak, die veel aandacht en sensitiviteit van een proefpersoon vergt. Volgens dr. Osman kun je deze setting goed vergelijken met andere complexe situaties. Als voorbeeld noemt ze de introductie van groene energiemeters in huishoudens. "Dit apparaat geeft exact aan hoeveel energie je op dat moment gebruikt. De feedback die de meter geeft verandert dus voortdurend. Als mensen niet weten door welke apparaten de schommelingen worden veroorzaakt, kunnen ze geen betekenis geven aan de feedback. Hoe leren ze dan hun energieconsumptie te verminderen?"

De onderzoekster ziet ook een risico in alle app's op mobiele telefoons. Voordat we deur uitgaan checken we de buienradar en de files. Met de trein dan maar? Even je reissaldo controleren. De stappenteller zeurt dat je nog niet genoeg gelopen hebt vandaag. Hoe sympathiek en handig het allemaal ook lijkt, er is misschien een maximum aan informatie wat nog bevorderlijk is voor het maken van een goede keuze.


Spreken is zilver, ...

Nu terug naar school. De Universiteit Utrecht heeft enkele jaren geleden een onderzoek gedaan naar de feedback van docenten tijdens zelfstandig werken op vier middelbare scholen. De onderzoekers stelden vast dat docenten hard hun best doen hun feedback positief te formuleren. Ze zijn er primair op gericht dat een vastgelopen leerling weer verder kan. Hierbij gaan ze echter te weinig in op de eisen waaraan het werk moet voldoen.
Het meest opvallende was dat ook docenten geneigd zijn tevéél feedback te geven. Dit zou ten koste gaan van de verwerking ervan bij leerlingen. In plaats daarvan zouden ze de leerling meer aan het woord moeten laten om het probleem precies te omschrijven en ze naderhand te laten vertellen hoe ze het probleem denken te gaan aanpakken. De leerlingen waren overigens wel tevreden over de feedback die ze kregen, al merkten zij ook op dat het vaak wel erg positief gekleurd was.


Storend of stimulerend

Een belangrijke vraag is in hoeverre we deze onderzoeksuitkomsten kunnen toepassen op het speciaal onderwijs en zorgleerlingen in het algemeen. Het belang van positieve aandacht staat bij deze kwetsbare doelgroep niet ter discussie. Maar voor wat betreft de hoeveelheid feedback is het denkbaar dat kinderen met een korte aandachtsspanne wellicht nog sneller gehinderd worden door tussentijdse feedback. Een onderzoek moet dan uitwijzen of een eventueel nadelig effect van feedback bij deze kinderen opweegt tegen het positieve effect van aanmoediging.


Bronnen

woensdag 11 juli 2012

Facebook maakt niet depressief

Facebook maakt niet depressief
Ouders hoeven zich niet al te druk te maken om het Facebookgebruik van zoon of dochterlief. Onderzoekers van de Universiteit van Wisconsin hebben aangetoond dat je van Facebook niet ongelukkig wordt.

De laatste tijd werd vanuit verschillende hoeken beweerd dat overmatig social media-gebruik ons depressief maakt. Best iets bij voor te stellen als je de hele dag geconfronteerd wordt met de aaneenschakeling van hoogtepunten uit het leven van iedereen behalve jezelf. Onderzoekers hebben echter geen verband kunnen vinden tussen social media-gebruik en depressie. Facebook, met 900 miljoen geregistreerde gebruikers het populairste medium, is dus onschadelijk. Einde discussie?


Onderzoek per sms
In werkelijkheid is het natuurlijk wat complexer. Het behoeft geen bewijs dat tien uur per dag op Facebook voor niemand gezond is. In het onderzoek gaat het echter om het verschil met andere internetbezoekjes. Onderzoekers controleerden bij 190 studenten tussen de 18 en 23 jaar gedurende een week hun internetgebruik. Dit deden ze door de proefpersonen op willekeurige momenten smsjes te sturen met drie vragen:
  • Ben je op dit moment online?
  • Hoe lang ben je al online?
  • Wat ben je aan het doen op internet?
De proefpersonen moesten hun antwoorden van de in totaal 43 smsjes zorgvuldig registreren. Ook werden alle 190 studenten klinisch gescreend op depressieve symptomen. Vervolgens werden deze gegevens aan elkaar gekoppeld.


Nuancering van eigen werk
Uit de analyse bleek dat de studenten meer dan de helft van hun internettijd aan Facebook spendeerden. De onderzoekers vonden echter geen verband met depressie. Studenten die veel van hun internettijd aan Facebook besteedden waren niet ongelukkiger dan studenten die een klein deel van hun totale internettijd op het sociale medium doorbrachten. Toch nuanceren de onderzoekers dit zelf enigszins: "Hoewel de tijd op Facebook niet samenhangt met depressie, moedigen we ouders toch aan om zelf een actief rolmodel voor hun kind te zijn. Zorg voor veilig en gebalanceerd mediagebruik."

Waarom adviseren ze dit als ze net hebben aangetoond dat het onschadelijk is? Er zijn blijkbaar meer factoren die meespelen. Dr. Megan Moreno licht zelf toe: "Wanneer het gedrag van een kind niet verandert, het kind vrienden heeft en de schoolcijfers stabiel blijven is er geen reden tot bezorgdheid." Is dit wél het geval, dan doet u er waarschijnlijk toch goed aan eens een gesprek met uw kind te voeren over Facebook. Uit dit onderzoek blijkt echter dat eventuele problemen evengoed kunnen voortkomen uit computergames. Facebook zelf is niet schadelijker dan ander internetgebruik.


Bron

vrijdag 6 juli 2012

Kinderen onvoldoende gehoord in rechtbank

Kinderen in Nederland kunnen onvoldoende hun stem laten horen bij beslissingen die over hen gaan. Niet alleen kinderen en hun ouders, maar ook hulpverleners, advocaten en zelfs rechters hebben te weinig kennis van de mogelijkheden voor minderjarigen om hun recht te halen of gehoord te worden in de rechtbank. Dat concludeert de Kinderombudsman Marc Dullaert in zijn onderzoek dat gisteren is aangeboden aan minister Opstelten van Veiligheid en Justitie.

De Kinderombudsman heeft de afgelopen maanden onderzoek gedaan naar de inzet van de bijzondere curator. De bijzondere curator kan door de rechter aangesteld worden als het belang van een kind in de knel dreigt te raken, bijvoorbeeld bij (v)echtscheidingen of bij strijd tussen ouders en jeugdzorg. Meestal is de bijzonder curator een advocaat, psycholoog of pedagoog. Een familielid heeft doorgaans niet de voorkeur van de rechter, omdat er dan andere belangen op het spel kunnen komen te staan en de familiebanden nog verder op scherp worden gezet.

Het aantal verzoeken en benoemingen van bijzondere curatoren wordt door de rechtbanken niet bijgehouden. De Kinderombudsman heeft voor zijn onderzoek daarom gebruik gemaakt van ervaringen van de verschillende betrokkenen. Daaruit blijkt een grote onbekendheid met de mogelijkheden van een bijzondere curator. Dit terwijl er veel situaties zijn waarin deze een belangrijke rol kan spelen, bijvoorbeeld wanneer kind, ouder en gezinsvoogd het niet met elkaar eens zijn over een omgangsregeling na een echtscheiding of over uithuisplaatsing.


Lot uit de loterij

Rechtbanken hanteren verder geen duidelijke lijn in de benoeming van bijzondere curatoren. Ook constateert de Kinderombudsman dat er geen kwaliteitsnormen zijn waaraan de bijzondere curator moet voldoen. Dit leidt tot rechtsongelijkheid. In beroep gaan tegen een afwijzing van een verzoek is onmogelijk. Het krijgen van een bijzondere curator is daarmee op een loterij gaan lijken. Je moet als kind maar hopen dat je een goed lot treft.

Rechters en bijzonder curatoren zijn het niet met elkaar eens welke kinderen een bijzonder curator zouden moeten krijgen. Bijzonder curatoren pleiten voor het loslaten van de minimumleeftijd van twaalf jaar. Rechters zouden volgens hen meer moeten kijken naar de rijpheid van het kind. Rechters zijn vaak van mening dat zij zelf prima in staat zijn naar de mening van het kind te luisteren, vooral bij wat oudere kinderen. De bijzonder curatoren zien echter wel hun eigen meerwaarde in het afwegen en behartigen van het belang van het kind.


Kinderrecht in het nauw

De Kinderombudsman pleit er voor om in alle situaties waarin kinderen in de knel dreigen te raken een bijzonder curator te benoemen. Ook moeten er kwaliteitsnormen worden opgesteld waar bijzondere curatoren aan moeten voldoen. Tot slot beveelt de Kinderombudsman aan om te registreren hoe vaak een bijzonder curator wordt benoemd en om een landelijk registratiesysteem van bijzonder curatoren op te zetten.

Het verdrag inzake de Rechten van het Kind (1990) stelt dat ieder kind de gelegenheid moet hebben om zijn of haar mening te geven in juridische kwesties die voor het kind van belang zijn. De Kinderombudsman hoopt dat minister Opstelten zijn aanbevelingen op zal volgen, zodat de afspraken uit het verdrag in de toekomst beter nageleefd zullen worden.


Bronnen

woensdag 27 juni 2012

Drinken tijdens zwangerschap minder schadelijk dan gedacht

Drinken tijdens zwangerschap minder schadelijk dan gedacht
Af en toe een glaasje wijn tijdens de zwangerschap kan helemaal geen kwaad. Ook vrouwen die na een avondje flink stappen tot hun schrik ontdekken dat ze zwanger zijn, kunnen opgelucht ademhalen. Hun kinderen blijken zich even goed te ontwikkelen als het kroost van geheel onthoudende moeders. Zo luidt althans de conclusie van een nieuw Deens onderzoek.

Matige alcoholconsumptie tijdens de zwangerschap is niet schadelijk voor de ontwikkeling en intelligentie van een kind. Dat schrijft de Deense dr. Ulrik Schiøler Kesmodel in Journal of Obstetrics and Gynaecology, het belangrijkste vakblad van de gynaecologie. Hij benadrukt hierbij wel dat het gaat om kleine hoeveelheden alcohol. Eén glaasje per dag, en hooguit zes in de week. Maar ook als je een paar keer te diep in het glaasje hebt gekeken voordat je weet dat je zwanger bent, is er geen reden tot paniek.

Relaxter omgaan met alcohol
Het onderzoek is gebaseerd op 1628 kinddossiers en is daarmee één van de omvangrijkste studies op dit terrein. De onderzoekers registreerden het alcoholgebruik van de moeders tijdens de zwangerschap. Op vijfjarige leeftijd moesten de kinderen allerlei testjes doen om hun intelligentie, aandacht, planning- en organisatievermogen in kaart te brengen. Er bleken geen verschillen te bestaan tussen de kinderen van matig drinkende en niet-drinkende moeders.
"Een belangrijke bijdrage aan de gezondheidsinformatie voor aanstaande moeders", zegt Kesmodel in het persbericht van de uitvoerende Universiteit van Aarhus. "Dit onderzoek laat zien dat we best wat relaxter om mogen gaan met alcoholgebruik tijdens de zwangerschap. Nu is de berichtgeving verwarrend, vrouwen krijgen zelfs van professionele instanties verschillende adviezen. Dat kan onnodige stress opleveren."

Het zekere voor het onzekere
Aan de andere kant is er best iets te zeggen voor geheelonthouding tijdens de zwangerschap, zo reageert de Nijmeegse huisarts Brian Kerssemeijer desgevraagd. "Er zullen altijd vrouwen zijn die zich er achteraf schuldig over gaan voelen, met name als zich onverhoopt toch problemen voordoen in de ontwikkeling van hun kind. Dan kan het honderd keer wetenschappelijk zijn aangetoond dat alcohol onschadelijk is, als moeder neem je wellicht toch liever het zekere voor het onzekere."

Diane Black van de Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) Stichting Nederland heeft ook zo haar bedenkingen. "Dit onderzoek gaat alleen in op eventuele cognitieve schade bij kinderen. Verhoogde risico's op bijvoorbeeld kinderkanker hebben ze niet onderzocht. Bovendien laten andere studies zien dat kinderen van drinkende moeders zelf ook op jongere leeftijd beginnen te drinken. Verder hebben de onderzoekers  mogelijke groeistoornissen buiten beschouwing gelaten".

Black betreurt het gebrek aan nuance in de pers naar aanleiding van dit onderzoek. "Nu lijkt het net alsof het schadelijke effect van alcohol hiermee van de baan is. De werkelijkheid zit complexer in elkaar. Sommige vrouwen kunnen zwaar drinken en toch een gezond kind op de wereld zetten. We weten dat jonge moeders met een eerste zwangerschap minder risico lopen. Maar het verschilt per persoon; wie kan een vrouw precies vertellen hoeveel alcohol voor haar nog verantwoord is?". De FAS-stichting blijft daarom bij het advies van de Gezondheidsraad: niet drinken is het allerveiligst.

Soepeler beleid, minder alcohol
Kesmodel is niet bang dat mensen dit onderzoek verkeerd zullen interpreteren of misbruiken. "In 1999 heeft de Deense Gezondheidsraad haar richtlijn al een keer bijgesteld naar een minder restrictief beleid. Toen werd er juist een afname in alcoholgebruik onder zwangere vrouwen geconstateerd." Inmiddels is er een conservatievere commissie aangesteld die het versoepelde beleid weer teruggedraaid heeft. De onderzoeker koestert dan ook weinig hoop dat de Gezondheidsraad haar richtlijn opnieuw zal verruimen. 
Toch kunnen professionals in de gezondheidszorg zich volgens de Deense onderzoeker beter richten op andere vormen van preventie bij aanstaande moeders. "Van roken en overgewicht is bijvoorbeeld wél overtuigend bewijs dat het schadelijke gevolgen kan hebben voor kinderen."

Bron

donderdag 14 juni 2012

Dikke kinderen slechter in rekenen

Dikke kinderen slechter in rekenen
Het zijn makkelijke prooien voor pesters. Ze lopen een verhoogd risico op gezondheidsklachten. Belanden vaak in ongemakkelijke situaties, rampzalige gymlessen, kleding die niet past. De nadelen van overgewicht zijn al talrijk, en sinds vandaag kunnen we er wéér een aan het lijstje toevoegen. Kinderen met overgewicht zijn ook nog eens slechter in rekenen.

Onderzoekers van drie Amerikaanse universiteiten hebben een duidelijk verband gevonden tussen rekenen en overgewicht. Dikke kinderen van zeven jaar en ouder presteren beduidend slechter dan hun slanke leeftijdsgenootjes. De onderzoekers volgden meer dan 6250 kinderen gedurende hun hele basisschooltijd. De kinderen werden op vijf momenten gemeten, gewogen en beoordeeld op hun sociaal, cognitief en emotioneel functioneren door middel van diverse vragenlijsten.

Het verband tussen overgewicht en slecht rekenen bleek alleen op te gaan voor kinderen die vanaf de kleuterklas al te zwaar waren geweest. Kinderen die pas op latere leeftijd te dik werden, bleven opvallend genoeg níet achter op rekengebied.
Vreemd, zit er dan verschil tussen 'oud' en 'nieuw' vet? Hoe eerder het ontstaan is hoe schadelijker? Of gebeurt er tijdens de kleuterjaren iets cruciaals met de rekenhersens van kleuters, iets wat onherstelbaar beschadigd raakt bij te dikke kinderen?

Eenzaam, ongelukkig en angstig
De onderzoekers zien de emotionele belasting van het overgewicht als belangrijkste oorzaak voor de slechte rekenprestaties. Dikke kinderen zijn eenzamer, ongelukkiger en angstiger. Dit moet hun slechte prestaties verklaren. Maar je zou verwachten dat kinderen die pas laat in de basisschool vet gaan vasthouden, hier minstens zo veel last van hebben als kinderen die ermee zijn opgegroeid. Zij ervaren dan pas voor het eerst hoe het is om anders te zijn. De kinderen die het van jongs af aan hadden weten niet beter, maar de 'nieuwe zwaarlijvigen' maken deze verslechtering van hun conditie wel degelijk bewust mee. Uiterlijk gaat bovendien een steeds belangrijkere rol spelen, dus het is moeilijk voor te stellen dat deze kinderen geen last hebben van hun overgewicht.
Aan de andere kant hebben deze kinderen misschien wél kunnen profiteren van hun slanke jeugd, waardoor hun basis beter is: meer zelfvertrouwen en betere copingstrategieën. Beide zeer handige eigenschappen bij het rekenen.

Wat kunnen we met deze resultaten? Ongeacht de verklaring van het verband is het weer een extra waarschuwing voor ouders. Zorg voor voldoende beweging en gezonde voeding voor uw kind. Vandaag is het nog het rekenen, maar morgen blijken ze ook nog agressiever, duurder of slecht voor het milieu.

Bron

donderdag 7 juni 2012

Alles liever dan voor de klas

Alles liever dan voor de klas
Het onderwijs maakt zich zorgen over de afnemende interesse voor lerarenopleidingen en pabo's. Op dit moment hebben zich nog geen negenduizend studenten aangemeld om na de zomer aan de pabo te starten. Vorig jaar lag dit aantal boven de tienduizend. Hoe komt het toch dat zo weinig mensen er aan willen gaan staan? Wat kan het onderwijs aantrekkelijker maken?

Sla de krant open en de vacatures voor een baan in het onderwijs slaan je om de oren. Twintig procent van de mensen voor de klas is onbevoegd. En het wordt nog erger, de komende tien jaar verlaat 75 procent van de docenten het werkveld. Deze klappen zullen bij lange na niet kunnen worden opgevangen met de huidige instroom. In het voortgezet onderwijs zal het lerarentekort de komende jaren het hardst oplopen, tot zo'n 4.000 leraren in 2015. Pas in 2020 zal volgens de rekenmodellen het evenwicht tussen vraag en aanbod zich herstellen.

De vergrijzing is natuurlijk een belangrijk deel van het probleem, maar hier ligt niet de oplossing. We moeten kijken naar wat jongeren afschrikt om eraan te beginnen. "De hoge werkdruk, in combinatie met een laag salaris", luidt het duidelijke antwoord van docent Peter Althuizen, voorzitter van Leraren in Actie.

Deze factoren wil de overheid verbeteren met het Actieplan LeerKracht, dat in 2007 is geïntroduceerd. Om ervoor te zorgen dat de werkdruk niet verder oploopt en de kwaliteit gewaarborgd blijft, moet het onderwijs anders worden georganiseerd. Bijvoorbeeld door een deel van de lessen te vervangen door onderwijs op afstand (e-learning), meer onderwijsondersteunend personeel in te schakelen en gebruik te maken van nieuwe ICT-mogelijkheden zoals digiborden en animaties. Verder zouden de mogelijkheden voor 'opscholing' verbeterd moeten worden. Invoering van de functiemix moet er daarnaast voor zorgen dat het aandeel leraren met hogere salarisschaal groter wordt.


Doelstellingen niet behaald

In 2011 blijkt echter dat de tussendoelstellingen voor dat jaar niet behaald zijn. De inspectie constateert weliswaar vooruitgang in de professionaliteitsontwikkeling, maar de invoering van de functiemix komt onvoldoende van de grond. De kosten lopen bovendien hoger op dan voorspeld. Hoewel het lerarentekort tijdelijk een kleine daling laat zien, blijven de prognoses somber. De overheid presenteert daarom een nieuw actieplan, genaamd Leraar 2020, een krachtig beroep. Verschillende beurzen moeten het leraren aantrekkelijker maken zich bij te scholen. Pas afgestudeerde academici kunnen gemakkelijk instromen in het voortgezet onderwijs. De sociale partners spreken de ambitie uit om in 2020 geen enkele onbevoegde leraar meer voor de klas te hebben staan.

Althuizen ziet de toekomst minder rooskleurig in, met de aanmeldingscijfers van de pabo in het achterhoofd. "Vervelend om weer gelijk te krijgen", vertelt hij in Metro nieuws. "Het vak van leraar wordt juist steeds onaantrekkelijker. Het salaris van docenten komt voor de vierde keer op de nullijn. Dat is ontzettend triest."


Bronnen

vrijdag 1 juni 2012

Nieuwe therapie tegen faalangst

Faalangst bij scholieren lijkt goed te behandelen met een nieuwe therapievorm, Cognitieve Bias Modificatie (CBM) genaamd. Het effect is weliswaar niet groter dan van de klassieke cognitieve gedragstherapie, maar de nieuwe training is wel laagdrempeliger, sneller en goedkoper. Dat blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen onder 1800 scholieren.


Gierende hormonen, een veranderende vriendengroep en een hoge prestatiedruk; adolescenten hebben heel wat te verduren. Lang niet alle scholieren kunnen hier even goed mee omgaan. Zij zijn kwetsbaarder dan anderen voor het ontwikkelen van angst; ze zijn bang om door anderen afgewezen te worden of een slechte beoordeling te krijgen. Vaak gaat het om situaties die voor de meeste jongeren heel gewoon zijn: een plekje zoeken in de kantine, door de hal lopen, of een gesprek voeren met mensen die je niet zo goed kent. Voor anderen is de angst beperkt tot toetsen, proefwerken en spreekbeurten.

Voordat het feitelijke onderzoek begon, verdiepten de onderzoekers De Hullu en Sportel zich eerst in de oorzaken van angst. Mensen met angst hebben last van automatische negatieve associaties. Cognitive Bias Modificatie (CBM) is een methode waarbij je leert om die negatieve associaties te veranderen in positieve. Dat gebeurt door middel van computertaken die leerlingen thuis online moeten uitvoeren.


Controlegebrek en vermijding
Scholieren met faalangst hebben doorgaans weinig controle over het onderwerp van hun aandacht. Als voorbeeld noemt onderzoeker Sportel de eerste vraag bij een proefwerk. 'Iemand met faalangst die ontdekt dat hij het antwoord op die vraag niet weet, is geneigd met zijn aandacht bij die vraag te blijven hangen in plaats van verder te gaan met vragen die hij wel begrijpt.'

Een ander kenmerk is de manier waarop iemand omgaat met niet-leuke dingen die op je afkomen. 'Angstige mensen hebben sterk de neiging dit soort situaties te vermijden of zich terug te trekken. Ze zullen signalen sneller interpreteren als bedreigend', aldus Sportel. Opvallend is dat beide kenmerken elkaar ook versterken. 'Iemand die hoog scoort op vermijding en laag op aandachtscontrole vertoont meer angstklachten.'


Donkere bril
Onderzoeker De Hullu: 'Angstige mensen bekijken de wereld door een donkere bril. Ze richten hun aandacht vooral op bedreigende informatie in de omgeving, bijvoorbeeld boze gezichten of moeilijke sommen. Bij de CBM-training werden scholieren verleid om hun aandacht op positieve informatie te richten in computertaken waarbij ze zeer snel moesten reageren.' Het idee is dat de hersenen dit –door elke dag een aantal minuten te trainen- automatisch gaan doen.

Toch zijn er nog wel wat kritische kanttekeningen te maken bij CBM. Hoewel de resultaten erg positief lijken, is gebleken dat veel scholieren die geen training volgen in de loop der jaren ook vooruitgaan. Blijkbaar groeien scholieren dus ook voor een deel over hun angsten heen. Maar dat betekent volgens de onderzoekers niet dat de training zinloos is. 'Je kunt angstige jongeren met zo'n training juist een zetje in de goede richting geven.'

De positieve resultaten lijken overigens vooral op te gaan voor faalangst. Sociale angst is waarschijnlijk toch een hardnekkiger probleem, waarbij symptomen in de jeugd meestal voorspellend zijn voor later.
Verder geven de onderzoekers zelf aan dat er in het computerprogramma nog verbeterpunten zijn die de therapie effectiever kunnen maken. Toch biedt het in dit stadium al voordelen boven andere vormen van therapie. Zo zijn de kosten relatief laag vergeleken met andere vormen van hulpverlening. Bovendien is een training via internet veel laagdrempeliger dan het zoeken van psychologische hulp. Zeker voor scholieren.


Bron

maandag 21 mei 2012

Drinken tijdens examen verhoogt slagingskans


Examenkandidaten die af en toe een slokje water nemen halen hogere cijfers dan leerlingen die tijdens hun examen droog staan. Dat blijkt uit onderzoek van de universiteiten van East-Londen en Westminster dat onlangs gepresenteerd werd op het jaarcongres van The British Psychological Society in Londen.

De Britse onderzoekers vergeleken de examenresultaten van 447 studenten van drie verschillende leerjaren. Een kwart van de studenten nam een flesje water mee naar het examen. In de hogere leerjaren waren dat er meer dan in de lagere.

De wetenschappers ontdekten dat degenen die af en toe een slok water namen gemiddeld vijf procent hogere cijfers haalden dan degenen die niets dronken. Bij de eerstejaarsstudenten was het verschil nog groter: hier scoorden de waterdrinkers zelfs tien procent hoger. Dat suggereert dat ook voor middelbare scholieren water drinken tijdens het examen bevorderlijk kan zijn.

Om uit te sluiten dat waterdrinkers van zichzelf gewoon slimmer zijn, werd de hele cijferlijst van de studenten meegenomen in het onderzoek. Ook keken de onderzoekers tijdens de examens naar de feitelijke waterconsumptie, dus niet alleen of er een flesje op tafel stond.


Hydrateren is presteren

Onderzoeksleider Chris Pawson denkt dat er zowel een fysiologische als een psychologische verklaring is voor de gevonden resultaten. Ten eerste zouden de prestaties verbeteren doordat de hersenen beter gehydrateerd zijn. Ten tweede zou water drinken een ontspannend effect hebben, waardoor studenten tijdens hun examen minder stress ervaren. Ook dat komt de prestaties ten goede.

Bij wetenschappelijk onderzoek horen de proefpersonen normaal gesproken niet zelf te kunnen kiezen in welke groep ze zitten. Maar in het geval van echte examens is het natuurlijk lastig om studenten te verbieden water te drinken ten behoeve van een onderzoek. Daarom zou het goed zijn voor de bewijskracht als dit onderzoek werd aangevuld met laboratoriumexperimenten.

Het Britse onderzoek vermeldt overigens niet of andere dranken ook een positief effect op de prestaties kunnen hebben. Dit is iets wat in toekomstig onderzoek meegenomen moet worden. Voor nu is het verstandig dat scholen hun examenbeleid afstemmen op de uitkomsten van dit onderzoek: niet verbieden, maar stimuleren.


Bron

dinsdag 15 mei 2012

Honderd jaar speltherapie

Speltherapie is één van de oudste vormen van psychische hulpverlening voor kinderen. Het Nederlands Jeugd Instituut publiceerde onlangs een overzicht van de effecten van honderd jaar speltherapie. Met zo'n lange historie verwacht je sterke bewijzen aan te treffen dat het werkt. Toch blijft de wetenschap kritisch. Het effect hangt van meerdere factoren af.

'Stanley van negen jaar haalt het hele poppenhuis leeg en zet er alleen maar stoere vechters in. Het huis wordt aangevallen, maar de vijand wordt meedogenloos neergemaaid. Stanley speelt het gevecht in stilte. De sfeer is om te snijden vanwege de enorm agressieve impact. Het gaat om leven en dood.'

Stanleys moeder is vermoord en zijn vader zit vast op verdenking hiervan. Binnen zijn familie is een onoplosbare vete losgebarsten. Geen wonder dat hij zijn thuissituatie op deze manier verbeeldt. Het huis als thuis is ontmanteld en laat een enorme stille geladenheid zien. Woede die in het echt geen kant uit kan. (Uit: Groothoff et al., 2009)

Hulpverleners zetten speltherapie in bij kinderen tot 12 jaar met traumatische ervaringen, emotionele of sociale problemen. Speltherapie komt uit de hoek van de psychoanalyse en berust eveneens op vrije associatie. Eén van de grondleggers is dan ook Anna Freud, dochter van de grote Sigmund. Speltherapie kan bij uitstek geschikt zijn om een gestagneerde ontwikkeling weer op gang te brengen. De belangrijkste doelen zijn expressie van gevoelens en ontlading van spanning. In het geval van Stanley kan de therapeut hem helpen bij zijn verwerking door steeds nauwkeurig te verwoorden wat er gebeurt en te benoemen welke emoties er bij het kind overheersen.

Speltherapie vindt plaats in een spelkamer: een waar paradijsje voor elk kind. Verkleedspullen, gezelschapsspellen, een zand- en watertafel, poppen, dieren, voertuigen en teken- en knutselmateriaal; het mag aan niets ontbreken om het kind zich optimaal vrij en op zijn gemak te laten voelen. Welk spel geschikt is hangt sterk af van de leeftijd, het karakter en de mogelijkheden van het kind. Gestructureerd speelgoed zoals constructie- en bouwmateriaal geeft minder uitingsmogelijkheden, maar kan bij een kind met ADHD meer gevoel van controle geven dan bijvoorbeeld klei.
Net zoals bij de klassieke psychoanalyse dient de therapeut volgend te zijn. Hij sluit aan bij de initiatieven van het kind en helpt slechts door het onder woorden brengen van gedachten en gevoelens.


Wetenschapsoordeel: speltherapie waarschijnlijk effectief

Uit alle studies die de afgelopen eeuw zijn verricht kunnen we concluderen dat speltherapie lijkt te werken bij een groot aantal uiteenlopende problemen. Zelfs schoolresultaten gaan er op vooruit. Maar er zijn ook kanttekeningen. De methodes die gebruikt worden bij de onderzoeken zijn vaak niet waterdicht. Zo zijn de groepen kinderen soms te klein, of worden de resultaten niet vergeleken met een controlegroep. Dat wil zeggen met een groep kinderen met dezelfde problemen die geen behandeling krijgen. Een controlegroep is noodzakelijk om –zoals ze het in de geneeskunde noemen- spontane genezing uit te sluiten. Daarom krijgt speltherapie van het NJI de status 'waarschijnlijk effectief'.

Speltherapie is even geschikt voor jongens als meisjes, ongeacht leeftijd, met of zonder stoornis, normaal begaafd of verstandelijk beperkt. Het maakt voor het effect ook niet uit of het individueel of in groepsverband wordt gegeven. Wat wél uitmaakt is het aantal sessies. Het effect is sterker naarmate kinderen meer sessies hebben gehad. De beste effecten worden bereikt bij 35 tot 45 sessies. Daarna neemt het effect weer af. In werkelijkheid krijgen de meeste kinderen echter maar 16 sessies. Ook de betrokkenheid van ouders blijkt zeer belangrijk. Als ouders betrokken worden vergroot dit de kans op succes. Dit geldt nog sterker wanneer ouders een actieve rol spelen in de therapie. Vooral de rol van vaders bleek groot: wanneer zij gemotiveerd meedoen aan de behandeling, krijgen kinderen opvallend meer zelfwaardering en worden ze sociaal competenter. De beste resultaten worden bereikt als ouders zelf de therapie geven, de zogenaamde Parent-Child Interaction Therapy (PCIT). De therapeut kan dan op de achtergrond als supervisor aanwezig zijn of ouders coachen met behulp van een oormicrofoontje vanachter een one-way screen. PCIT werkt vooral goed bij tienerouders en hun kinderen. Tienerouders gaan meer empathie voor hun kind tonen en krijgen er een betere relatie mee. Overigens nam hun stress er niet door af.


Kanttekeningen

Mishandelde en verwaarloosde kinderen vormen een aparte groep. Net als andere kinderen kunnen zij zeker profiteren van speltherapie. Hun sociale interactie verbetert en hun verbeelding neemt toe. De beperking van speltherapie bij deze getraumatiseerde kinderen is echter dat het de echte oorzaak van het probleem niet oplost. Er verandert niets aan de beroerde thuissituatie. Er is dus meer nodig dan speltherapie alleen.
Alleen van kinderen met seksuele gedragsproblemen is nooit aangetoond dat ze baat kunnen hebben bij speltherapie. Zij hebben een meer directieve vorm nodig, waarin hun duidelijke seksuele gedragsregels en vaardigheden wordt geleerd. Cognitieve gedragstherapie is hiervoor meer geschikt gebleken.

Ondanks de lange historie van speltherapie en de sterke aanwijzingen voor de effecten blijven wetenschappers hameren op het belang van meer onderzoek. Maar therapeuten zijn vooral praktijkwerkers en hebben vaak maar weinig mogelijkheden voor tijdrovend en methodologisch ingewikkeld onderzoek. Een goed voornemen voor de komende honderd jaar.


Bron

donderdag 26 april 2012

Van comazuipen naar cola zuipen

Alcoholvergiftiging onder jongeren is een ernstig en groeiend probleem. Jaarlijks worden honderden kinderen in comateuze toestand opgenomen in het ziekenhuis. Onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen geeft nu een nieuwe impuls aan de mogelijkheden voor preventie: we moeten populaire kinderen inzetten om het goede voorbeeld te geven aan leeftijdsgenootjes.

Om erachter te komen hoe de invloed van leeftijdgenoten op alcoholgebruik werkt, onderzocht Hanneke Teunissen bij jongeren van 14 en 15 jaar of hun geneigdheid tot drinken afhangt van de status en attitude van leeftijdsgenoten.

Daarvoor bracht ze eerst onder 532 jongeren de populariteit van een aantal medescholieren in beeld. Vervolgens deden 74 jongens mee aan het echte onderzoek. Zij moesten in een digitale chatroom vragen beantwoorden over hun attitude ten aanzien van drinken en alcohol. Terwijl de vragen in beeld verschenen zagen ze ook de antwoorden van hun medescholieren. Het was de deelnemers dus meteen duidelijk wie pro- of anti-alcohol was.


Cola is cooler

De jongens lieten zich in hun antwoorden zowel door populaire als door minder populaire leeftijdgenoten negatief beïnvloeden. Deze invloed was echter niets nieuws: zien drinken doet drinken. Het maakt niet uit wie dat voorbeeldgedrag laat zien. Maar de onderzoekers deden een veel interessantere ontdekking. Als een populaire jongen alcohol afwijst, heeft dat namelijk ook invloed. In ieder geval meer dan wanneer een minder populaire leeftijdgenoot dat doet. Blijkbaar kan een hoge status op een bepaalde manier compenseren voor het niet drinken van alcohol, want de attitude van de 'coole' jongen wordt overgenomen. Ergens in de puberhersens wordt wellicht een nieuwe verbinding gelegd tussen niet-drinken en cool.

Dat resultaat is nieuw, zegt Hanneke Teunissen: "Tot nu toe lag de nadruk altijd op de nadelige invloed van populaire leeftijdgenoten op alcoholgebruik, maar dit onderzoek toont aan dat ze ook een gunstige invloed kunnen hebben."


Groepsdruk

Een volgende stap kan zijn te kijken of de positieve invloed van één enkele populaire jongere stand houdt tegen de pro-alcoholattitude van een hele groep. Dat de positieve invloed werkt in een individuele situatie is nu duidelijk, maar hoe sterk is die invloed precies? En wat kunnen we doen om te zorgen dat niet alleen de attitude verandert, maar ook het gedrag?

Het wordt de laatste jaren steeds duidelijker dat we kinderen niet alleen zo lang mogelijk weg moeten houden bij de alcohol, maar dat we ze ook bewust moeten maken van de gevaren ervan. Het is voorstelbaar dat het als puber meer indruk op je maakt als je leeftijdsgenoten je op deze gevaren wijzen, dan wanneer je ouders dat doen.

Leeftijdgenoten kunnen elkaars alcoholgebruik dus zowel aanwakkeren als temperen. Die conclusie kan belangrijk zijn voor de ontwikkeling van nieuwe alcoholpreventieprogramma's. Kinderen die een alcoholvergiftiging oplopen zijn doorgaans geen probleemjongeren. Het zogenaamde 'comazuipen' komt voor onder jongeren uit alle milieus. Preventie moet dus breed ingezet worden. Laat het mooie nu zijn dat populaire kinderen ook in alle milieus voorkomen; allemaal potentiële preventieve kansen. Nu moeten we hen alleen eerst zelf de juiste keuzes laten maken.



Bron
  • Teunissen, H. et al. Adolescents’ Conformity to Their Peers’ Pro-Alcohol and Anti-Alcohol Norms: The Power of Popularity. In: Alcoholism: Clinical and Experimental Research, april 2012.