vrijdag 16 maart 2012

Meertaligheid ook voor kinderen met beperking

Meertaligheid ook voor kinderen met beperking
Meertaligheid heeft de toekomst. Talenkennis blijkt steeds belangrijker voor de kansen van jonge mensen op de arbeidsmarkt. En de vroege kindertijd is de ideale levensfase om een of meer talen goed onder de knie te krijgen. Maar geldt dat ook voor kinderen met een communicatieve beperking, bijvoorbeeld autisme? Het voorlopige antwoord van de wetenschap luidt ja.

Steeds meer kinderen in Nederland groeien op met meer dan één taal. Soms omdat in de familie een andere taal dan Nederlands nu eenmaal de voertaal is, soms omdat ouders een bewuste keuze maken hun kind een tweede taal aan te bieden. Het spreken van meerdere talen biedt kinderen zonder twijfel extra kansen. Maar deze trend plaatst ons ook voor nieuwe vragen en uitdagingen. Hoe kunnen we zorgen dat kwetsbare kinderen opgroeien in een omgeving waarin ze zich én sociaal-emotioneel optimaal ontwikkelen én de verschillende talen van hun omgeving goed leren? Is meertaligheid eigenlijk wel verantwoord voor kinderen met een beperking?

Baat het niet dan schaadt het niet
Mirjam Blumenthal van de Koninklijke Kentalis concludeert uit eigen onderzoek dat ook kinderen met een communicatieve beperking zoals autisme meerdere talen kunnen leren, zonder daardoor in hun ontwikkeling te worden geschaad. “Naast het kind hangt het in grote mate van de omgeving af in hoeverre de meertalige ontwikkeling succesvol zal verlopen. Een omgeving waarin het kind zich veilig voelt, waarin veel interactie is en beide talen gestimuleerd worden, is het meest gunstig.” De onderzoekster benadrukt dat succes ook kan betekenen dat het kind één van de talen alleen verstaat en slechts een paar woorden in die taal kan spreken. Maar het zal er in ieder geval geen schade van ondervinden.

Ook van dyslexie en stotteren vragen ouders zich vertwijfeld af of dit kan worden veroorzaakt of verergerd door een meertalige opvoeding. Het onderzoek is duidelijk: dat is evenmin bewezen.  Blumenthal pleit daarom voor een einde aan de negatieve, achterhaalde beeldvorming over meertaligheid.

Voordelen van meertaligheid
De huidige opmars van de meertaligheid komt niet uit het niets. Meertalige kinderen schijnen beter te zijn in het negeren van niet-relevante informatie en beter in multitasking. Sommige onderzoeken gaan nog verder. Symptomen van Alzheimer zouden zich bij meertaligen vijf tot zes jaar later manifesteren dan bij ééntaligen. Het Frans of Engels dat we op school hebben geleerd telt hierbij helaas niet mee als tweede taal…

Bewust of onbewust
In veel gevallen is er niet eens echt sprake van een keuze: de omgeving is nu eenmaal meertalig. Stel dat een hulpverlener of leerkracht twee Turkse ouders zou aanraden om met hun gedragsmatig moeilijke zoon alleen nog maar Nederlands te spreken. Als andere familieleden vervolgens wel Turks met elkaar blijven spreken, raakt het kind- dat toch al niet goed in zijn vel zat- makkelijk in een isolement. Forceren werkt dan averechts. Een Amerikaans onderzoek onder 600 adolescenten geeft eenzelfde beeld. Jongeren die de (minderheids)taal van hun ouders niet vloeiend beheersen, voelen meer emotionele afstand tot hun ouders en zijn minder geneigd met hen te discussiëren. Een onwenselijke situatie.

Soms is er wel een keuze. Bijvoorbeeld als een familie overweegt om naar het buitenland te emigreren. De omgeving gaat van een ééntalige naar een meertalige omgeving. Dan kan de beperking van het kind meegewogen worden in de beslissing. De meeste kinderen met autisme kunnen moeilijk omgaan met veranderingen. Behoud van de ééntalige omgeving, dus niet verhuizen, is dan vaak makkelijker voor het kind. Voor andere (meertalige) gezinnen betekent niet veranderen juist het behoud van de tweetalige omgeving. Rigoureus stoppen met het gebruik van de ‘eigen taal’ kan bij deze kinderen voor grote weerstand zorgen.

Voor onzekere ouders is het essentieel dat zij advies op maat krijgen, en dat dit gebeurt in samenspraak met ouders. Elke situatie en elk kind zijn immers anders. Het is in ieder geval verstandig te kijken welke taal ouders zelf het best beheersen. Een goede taalbeheersing is namelijk nodig om je gevoelens en gedachten duidelijk over te brengen. In welke taal het kind terugpraat is dan van secundair belang.

Debat zonder einde
In de politiek is de afgelopen jaren volop gedebatteerd over meertaligheid. Omdat de wetenschap op dit terrein nog geen consensus heeft bereikt, zal de discussie voorlopig aanhouden. Wel zijn de speciale lessen die allochtone leerlingen voorheen in hun eigen taal kregen, inmiddels weer afgeschaft. Dit tot grote teleurstelling van veel mensen uit het onderwijs, die naast het bevorderen van de leerprestaties ook wijzen op het toegankelijker maken van de school voor ouders. De mogelijkheid dat kinderen met communicatieve stoornissen wellicht extra belang hebben bij onderwijs in hun meest vertrouwde taal, is in deze discussie helaas buiten beschouwing gebleven.

De beeldvorming en kennis rondom meertaligheid dringen langzaam maar zeker door tot de maatschappij. Onderzoek van de wetenschapswinkel in Groningen laat echter zien dat nog altijd 36% van de ouders van meertalige kinderen ten onrechte denkt dat de afwijkende taal van hun kind tot meer problemen met het Nederlands leidt. Alle ouders vinden het belangrijk dat hun kroost goed Nederlands spreekt, maar een groot deel realiseert zich niet dat het stimuleren van de ‘eigen taal’ minstens zo belangrijk is, en zelfs bevorderlijk is voor het Nederlands.

Blumenthal hoopt dat betere informatie zal leiden tot bewuster gemaakte keuzes en een positievere en open sfeer rondom meertaligheid. Tot dusver ziet zij geen reden om kinderen met een beperking de extra kansen van meertaligheid bij voorbaat te onthouden.


Bronnen

donderdag 8 maart 2012

Barbies, ob's en bh's

Meisjes raken op steeds jongere leeftijd in de puberteit. Bijna vijftien procent van de zevenjarige Amerikaanse meisjes heeft al borstvorming. Nederlandse meisjes worden tegenwoordig bijna drie jaar eerder ongesteld dan een eeuw geleden. Lang werd gedacht dat de hogere gezondheidsstandaard de enige oorzaak was van deze trend. Nu zijn er wetenschappers die denken dat juist armoede ook een rol kan spelen.

Het valt Amerikaanse wetenschappers al tijden op dat meisjes uit relatief arme families in de westerse wereld vroeger rijp zijn dan hun rijkere seksegenoten. Verder neemt het aantal mensen dat in de VS in armoede leeft elk jaar toe, meer dan op basis van de bevolkingsgroei verwacht mag worden. Ruim 15% van de Amerikanen leeft inmiddels onder de armoedegrens en de kloof tussen rijk en arm wordt almaar groter. Wetenschappers denken dat er een verband bestaat tussen de toenemende armoede en de steeds vroeger intredende puberteit.


Obesitas, vervuiling, evolutie en stress

Maar waarom zou armoede er dan toe leiden dat meisjes eerder in de puberteit komen? Hier bestaan meerdere hypotheses over. Arts en hoogleraar Frank Biro van de Universiteit van Cincinnati licht ze toe op de website Kennislink.

De ene kant van de armoede-hypothese is van fysiologische aard. Arme mensen zijn vaker te dik. Vetcellen zouden bepaalde hormonen uitscheiden die de puberteit vroegtijdig kunnen aanwakkeren.
Aan de andere kant zouden de leefomstandigheden zelf op drie manieren invloed hebben op het intreden van de puberteit. Ten eerste wonen arme mensen vaker in dichtbevolkte, stedelijke gebieden. Hier heerst meer vervuiling. Bepaalde chemicaliën die veel in plastic voorkomen zouden verwant zijn aan het vrouwelijk geslachtshormoon oestrogeen. Dit zou het hormoonsysteem van zelfs ongeboren kinderen kunnen aantasten.
Ten tweede hebben arme mensen, mede door hun zwaardere leefomstandigheden, een kortere levensverwachting dan rijke mensen. Zij krijgen gemiddeld op jongere leeftijd hun eerste kind en moeten dus ook eerder geslachtsrijp zijn. Het zou als het ware een evolutionair mechanisme zijn: zorgen dat je je genen doorgeeft, voor het te laat is.
Ten derde zouden meer stressvolle leefomstandigheden en ingrijpende gebeurtenissen er voor kunnen zorgen dat kinderen zich niet veilig hechten, bijvoorbeeld door de afwezigheid van een vader of het ervaren van weinig ouderlijke liefde. Het lichaam reageert dan anders op stress. Net als de kortere levensverwachting zou deze reactie een teken zijn dat het "haast moet maken" met de voortplanting.

Armoede blijkt bij de één meer invloed te hebben op het intreden van de puberteit dan bij de ander. Zo zijn er ook meisjes uit rijke milieus die op hun zevende borsten krijgen, en omgekeerd meisjes uit arme milieus die pas op hun zestiende ongesteld worden. Dit heeft te maken met genetische verschillen. Genen en omgeving kunnen elkaar compenseren, maar ook versterken.

Wat betreft de discussie over het aandeel van genen en omgeving zijn adoptiekinderen een interessante onderzoeksgroep. Adoptiemeisjes in westerse landen worden niet alleen eerder ongesteld dan hun leeftijdsgenootjes in het land waar ze wonen, maar ook in vergelijking met het land van herkomst. Geadopteerde meisjes die voor hun achtste in de puberteit raken, hebben bijna allemaal een snelle inhaalgroei meegemaakt direct na de adoptie. Een relatie met voeding lijkt erg aannemelijk, maar is nog te weinig onderzocht.


Grotere kans op borstkanker

Gelukkig zijn niet alle meisjes even vatbaar voor slechte leefomstandigheden. Een vroeg intredende puberteit heeft namelijk behoorlijke nadelen. Niet alleen is het voor jonge meisjes emotioneel belastend en brengt het het nodige geregel aan maandverband en bh's met zich mee, er zijn mogelijk ook gezondheidsrisico's. Met de puberteit begint namelijk de oestrogeenproductie. Hoe langer je blootgesteld wordt aan dit hormoon, hoe groter de kans op borstkanker volgens het Dossier Borstkanker 2008 van het Instituut Reinier de Graaf.

Het is overigens niet bekend of er een relatie is tussen het aanvangsmoment van de puberteit en de menopauze. Het aantal vruchtbare jaren lijkt eerder afhankelijk van de hoeveelheid eicellen die het kind bij de geboorte meekrijgt. De een heeft van zichzelf nu eenmaal een grotere voorraad dan de ander.


Kleuters met borsten?

Als de puberteit steeds eerder begint, krijgen we dan straks kleuters met borsten? Nee, volgens Biro ligt de grens ongeveer bij zes jaar. Afro-Amerikaanse meisjes zouden die grens inmiddels nabij zijn. Voor meisjes die vóór hun achtste in de puberteit raken, kan in sommige gevallen een behandeling overwogen worden. Een argument hiervoor kan zijn dat het kind nog een paar jaar langer door kan groeien. Soms is er ook een medische indicatie.

Overigens zijn er ook nog steeds deskundigen die het juist als een goed teken beschouwen dat meisjes tegenwoordig vroeger in de puberteit raken dan vroeger. Betere voeding en een hogere gezondheidsstandaard zijn volgens hen de oorzaken. Hoe minder vaak een kind ziek is geweest, hoe beter het groeit en hoe sneller het zich kan ontwikkelen, menen zij. Dit lijkt te rijmen met onderzoeksuitkomsten uit India, waar meisjes uit welgestelde gezinnen juist eerder ongesteld bleken te worden dan meisjes uit arme families.

Goed teken of niet, duidelijk is dat we te maken hebben met een hardnekkige en ingewikkelde trend. Er spelen waarschijnlijk meerdere factoren mee. De tijd zal ons leren welke vertegenwoordiger van welke hypothese aan het langste eind zal trekken. Eén ding is zeker. Ook voor de juf van groep 4 is het geen overbodige luxe de nodige kennis en materialen paraat te hebben. Voor het geval dat...


Bronnen

woensdag 29 februari 2012

Eet je slim/slank/snel/sterk*!

Geef uw kind genoeg van stof A, maar pas op: in combinatie met stof B is stof A juist ongezond! Duizelt het u soms ook van alle do's en don'ts op het gebied van gezonde voeding en drinken? Dit artikel biedt u een overzicht van een aantal recente onderzoeksuitkomsten. Daarnaast aandacht voor de bijzondere plek van voeding in het speciaal onderwijs.

Uiteraard is variatie in voeding het allerbelangrijkst. Enkele voedingsmiddelen hebben onlangs het nieuws gehaald om hun specifieke werking.
  • De geur van bepaalde kruiden zoals rozemarijn, bevordert de snelheid en nauwkeurigheid op bepaalde mentale taken. De precieze werking is nog onbekend.
  • Kinderen die schoolmelk drinken groeien beter en hebben sterkere botten. Dat werd in de jaren '30 aangetoond. Maar er is ook steeds meer kritiek. Drinken zou de verantwoordelijkheid van ouders zijn en de school geen plek voor commercie.
  • Genoeg drinken is in ieder geval belangrijk voor elk kind. Vanaf 12 jaar minimaal anderhalve liter per dag. Het zorgt voor een betere concentratie, een beter humeur en meer energie. Vooral bij vrouwen kan een vochttekort chagrijnigheid en vermoeidheid veroorzaken. Het is belangrijk kinderen preventief te laten drinken en niet pas wanneer ze aangeven dorst te hebben.
  • Over de werking van visolie verschillen de onderzoeksuitkomsten. Er zijn positieve effecten bekend bij kinderen met aandachtsproblemen, emotionele gevoeligheid of labiliteit en slaapproblemen. Het effect zou niet onderdoen voor dat van Ritalin.
  • Bananen staan, net als aardappelen, onterecht bekend als dikmakers. Een banaan levert snel energie en bevat mineralen die een belangrijke rol spelen bij het doorgeven van prikkels in het zenuwstelsel en bij de regeling van de bloeddruk. Ze bevatten weliswaar meer calorieën dan ander fruit, maar stukken minder dan snoep. Voor de tanden zijn ze echter net zo slecht.
Eten op het speciaal onderwijs
Het eten op het speciaal onderwijs neemt vaak een bijzondere plaats in. Kinderen van ZMOK-scholen worden niet zelden met een lege maag naar school gestuurd. Op sommige scholen wordt daarom gestart met een gezamenlijk ontbijt. Langdurig zieke kinderen zijn vaak moeilijke eters of hebben een speciaal dieet nodig. Kinderen op het speciaal onderwijs gaan tussen de middag niet naar huis, maar lunchen op school. De schoolmaatschappelijk werker (of bij cluster 3 de schoolverpleegkundige) heeft een coördinerende rol ten aanzien van de voeding. Naast de fysieke noodzaak van een goede voeding heeft het gezamenlijke eten ook een sociale en pedagogische waarde.

Doe gezond, gebruik een App
Voor ouders die willen weten of hun kind goed groeit, heeft TNO een App ontwikkeld voor de smartphone. Door zaken als de lengte, leeftijd en gewicht van het kind in te vullen, zie je of je kind op schema ligt in het groeidiagram. De App geeft ook handige tips voor voeding en beweging.

Bronnen

dinsdag 28 februari 2012

Middelbare schooladvies: meer dan Cito-score

Het juiste advies voor voortgezet onderwijs
De Cito-toets zit er weer op. Een spannende tijd voor veel groep 8-ers en hun ouders. Welke middelbare school zou het worden? Gelukkig hangt de keuze niet alleen van de Cito-uitslag af. De indruk van de leerkracht en de wensen van ouders en leerling tellen ook mee. In het verleden werd soms echter geconstateerd dat er te hoge of juist te lage adviezen werden gegeven, met name aan allochtone leerlingen. Is er wetenschappelijk bewijs voor dergelijke over- of onderadvisering?

De overgang van basis- naar voortgezet onderwijs vormt een cruciaal moment in de schoolloopbaan. Een goed advies is daarom essentieel. Deze dient vooral gebaseerd te worden op de cognitieve capaciteiten van een leerling, maar daarnaast ook op zaken als motivatie, interesse en ondersteuning vanuit thuis.

Allochtoon vs. autochtoon
Eind jaren tachtig was er inderdaad sprake van overadvisering van allochtone leerlingen. Volgens leerkrachten hadden deze leerlingen voldoende intellectuele capaciteiten om het niveau van het gekozen voortgezet onderwijs te halen. Hun nog ontoereikende Nederlandse taalvaardigheid mocht hen niet beperken. Hier woog het potentieel van de leerling dus zwaarder dan de feitelijke resultaten op een test en werd er op leerlingniveau beoordeeld. Daarbij speelde ook mee dat men bang was om van discriminatie beschuldigd te worden. 

De beoordeling van een leerling kan ook beïnvloed worden door de samenstelling van de klas. De sociale en etnische samenstelling van een groep bepalen mede het gemiddelde prestatieniveau. Kinderen uit allochtone en lagere sociale milieus presteren gemiddeld slechter dan kinderen uit autochtone en hogere sociaal economische milieus. Als de basisschoolklas verhoudingsgewijs meer leerlingen uit de eerstgenoemde groep heeft, is de kans op een te hoog advies voor het voortgezet onderwijs groter. Het gemiddelde prestatieniveau van die klas ligt immers lager dan dat van de gemiddelde middelbare school. Een kind dat op de basisschool bovengemiddeld scoorde in vergelijking met zijn klasgenootjes, kan dan toch het beste af zijn met een vmbo advies.

Grootstedelijk fenomeen
In een bredere context stellen onderzoekers dat overadvisering ook een typisch grootstedelijk fenomeen zou kunnen zijn. Volgens hen kan dit mede worden toegeschreven aan de specifieke leefstijl en het meer assertieve klimaat in grote steden. Leerkrachten hebben minder gezag en ouders komen sneller op voor hun rechten. Sinds de invoering van het vmbo zijn maar weinig ouders blij met dit schooladvies voor hun kind.

Halverwege de jaren negentig is de overadvisering van allochtone leerlingen sterk verminderd. In 2000 kwamen er zelfs signalen van onderadvisering uit de achterstandsmilieus. Dit betrof echter niet zozeer de allochtone leerlingen, maar juist de groep autochtone achterstandsleerlingen. Wellicht is de jarenlange aandacht voor de allochtone achterstandsgroep ten koste gegaan van de autochtone achterstandsgroep.

Reële onderwijskeuze maken
Zowel over- als onderadvisering is onwenselijk voor leerlingen en ouders. Onderadvisering kan een kind blijvend op achterstand zetten. Bij overadvisering kan het twee kanten op gaan. Of de leerling haalt lage cijfers, het zelfvertrouwen wordt aangetast en uitval dreigt, óf de leerling stijgt boven zijn niveau uit door de extra uitdaging en stimulans.

In het huidige onderwijssysteem blijkt er nauwelijks nog sprake te zijn van een te hoog of te laag schooladvies. Wanneer de adviezen puur op de Cito-eindtoets zouden worden gebaseerd, zouden leerlingen gemiddeld een te laag advies krijgen. Dit geldt vooral voor autochtone leerlingen. Wanneer ook andere leerling-, klas- en contextkenmerken worden meegenomen blijkt uiteindelijk dat alleen nog de autochtone achterstandscategorie iets wordt ondergeadviseerd. De autochtone, hoogopgeleide categorie wordt iets overgeadviseerd.

Voor zowel ouders als de basisschool is het van groot belang reëel te blijven kijken naar het kind en goed te bedenken waar het kind het beste tot zijn recht komt. Negeer groepsdruk en ga voor het onderwijsgeluk.

Bron 
  • Driessen G. en Cuppen J., Ieder het juiste advies voortgezet onderwijs? Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 2012.

donderdag 9 februari 2012

Wie het eerst lacht, lacht het langst

Het woord humor komt uit het Grieks en betekent letterlijk sap of vocht. De oude Grieken dachten namelijk dat onze lichaamssappen onze stemming regelden. Inmiddels weten we wel beter. Toch is humor nog steeds een interessant onderwerp voor de wetenschap.

Bij heel jonge kinderen zie je al een glimlach als ze erin slagen contact met elkaar te hebben. Dit duidt er meteen op dat humor iets sociaals is. Bovendien lijkt de aanleg om te lachen dus al op jonge leeftijd aanwezig te zijn. Tweelingstudies hebben aangetoond dat humor erfelijk is: eeneiïge tweelingen die apart van elkaar zijn opgegroeid beschikken op latere leeftijd over een vergelijkbaar gevoel voor humor!
Onderzoekers van de Stanford University hebben onlangs laten zien dat bij kinderen van 6 jaar oud tijdens het lachen exact dezelfde hersengebieden actief zijn als bij volwassenen. De humor zelf ontwikkelt zich natuurlijk nog wel; die wordt met het ouder worden steeds subtieler.

Functies van humor
Lachen heeft duidelijke functies in een groep. Ten eerste is humor een belangrijke manier voor kinderen om een besef en een gevoel te krijgen van samenzijn. Ten tweede laten mensen door te lachen zien dat ze geen kwade bedoelingen hebben; dat elkaars aanwezigheid geaccepteerd wordt. Lachen is aanstekelijk; als één iemand begint met lachen, dan gaan vaak andere mensen mee lachen. Ten derde is het een test om op een onschuldige manier de grenzen te bepalen.

Werking van humor
De werking van humor berust op een zogenaamde dubbele binding. Enerzijds wordt de associatie met het onderwerp sterker; anderzijds creëer je afstand tot het onderwerp: humor relativeert immers. Op die manier maakt humor het mogelijk om buiten hokjes te denken of juist verschillende hokjes aan elkaar te linken die weinig met elkaar te maken hebben.

Gevoel voor humor speelt zich met name af in de rechterhersenhelft, terwijl onze taal, spraak en logica vooral in de linkerhersenhelft zijn vastgelegd. Door iets te leren door middel van humor, zouden er in beide hersenhelften sporen achterblijven waardoor de informatie makkelijker terug te halen zou zijn.
Interessant is dat bij het lachen ook gebieden in de hersenen actief zijn die te maken hebben met beloning. Dit vraagt om meer onderzoek.

Wat is grappig?
Jonge kinderen vinden twee dingen extreem grappig:
  • Hoe gekker hoe beter. Kinderen lachen vooral om het onverwachte en het ongepaste; als de gebeurtenis een mismatch is met hun belevingswereld. Dat kan van alles zijn: een grappig gebaar, klank of woord, abnormale acties of gebruik van voorwerpen.
  • Leedvermaak. Dit wil zeggen als anderen fouten maken, zich dom of onhandig gedragen of pech hebben. Blijkbaar voelt de toeschouwer zichzelf hier beter bij. Waarschijnlijk zal uiteindelijk de beschaving hem echter leren dat uitlachen niet zo netjes is.
Grote verschillen in humor
In kinderdagverblijven valt op dat kinderen die in hun eentje spelen nauwelijks lachen, terwijl bij samenspel volop gelachen wordt. Vooral bij fysiek spel (rennen, springen) en "doen-alsof spel" krullen de mondhoeken vaak omhoog. Maar er zijn ook grote verschillen. Humor hangt samen met cultuur, leeftijd, geslacht, intelligentie en karakter. Zelfs uiterlijk speelt een rol. Maar (gelukkig) verschilt humor vooral per individu.

Lachen is gezond
Lachen heeft zowel direct als indirect invloed op onze gezondheid en onze prestaties. Dit heeft te maken met de stoffen endorfine en dopamine die vrijkomen tijdens het lachen. De onderzoekers uit Stanford denken dat een evenwichtig gevoel voor humor kinderen kan helpen, bijvoorbeeld bij het onderhandelen tijdens de puberteit. De humor van een kind laat zich zoals gezegd echter lastig vormen. Het is een kwestie van goed observeren en ontdekken wat een kind positief beweegt. De ogen zijn meestal de beste graadmeter.

Bronnen
  • Neely, M.N. et al. Neural correlates of humor detection and appreciation in children. Journal of Neuroscience, 2012.
  • Singer, E. Social lives of young children. Co-construction of shared meanings and togethernes, humour, and conflicts in child care centers. In: Contemporary perspectives on social learning in early childhood education, 2007. 

dinsdag 7 februari 2012

Feiten en fabels over de invloed van de televisie

Feiten en fabels over de invloed van de televisie
Discussies over de invloed van televisie zijn al bijna zo oud als het apparaat zelf. Vaak wordt beweerd dat kinderen er passief en agressief van worden. Ook zouden ze geweld en seks normaal gaan vinden. Echter, wanneer de juiste programma's onder goede begeleiding gekeken zouden worden, kunnen ze er ook profijt van hebben. Hoe zit dat nu precies?

Tv-kijken kan zowel een positieve als negatieve invloed hebben. Dit hangt af van de leeftijd van het kind, van het programma zelf en van de manier waarop televisie wordt aangeboden.
  • Kinderen tussen de tweeëneenhalf en vier jaar oud lijken het meest te leren van tv.
  • Programma's waarin kinderen direct worden aangesproken in correct Nederlands en die een reactie van kinderen uitlokken zijn het meest educatief.
  • Herhaling is vooral voor peuters erg belangrijk, nog belangrijker dan in het dagelijks leven. Dat komt waarschijnlijk doordat kinderen de relatie nog niet leggen tussen de televisie en de realiteit.
  • Tv veroorzaakt omgevingsruis. Tijdens een gesprek kan hij dus beter uitgeschakeld worden.
Wanneer aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, kan het tv-kijken dus leerzaam zijn en de taalvaardigheid bevorderen. We hebben daarnaast echter ook te maken met andere effecten.

Agressieverhogend
Mediageweld verhoogt agressie bij zowel jongens als meisjes, op korte en lange termijn. Dat is al vele malen aangetoond. Maar hoe zit het met het effect van tv op zich? Sommige onderzoekers beweren dat alleen het aanstaan van de tv, zonder überhaupt te kijken, kinderen al agressiever maakt. Anderen wagen zich niet aan zulke uitspraken. Zoals zo vaak staan commerciële belangen objectieve, betrouwbare uitkomsten in de weg.

Indirecte effecten
Ook de media-opvoeding van ouders speelt een rol. Sociologe dr. Notten van de Radboud Universiteit Nijmegen heeft aangetoond dat kinderen van ouders die zelf veel tv kijken, het slechter doen op school. Zelfs de uren dat de tv aanstaat wanneer de kinderen al in bed liggen, tellen mee. Vooral amusementsprogramma's die ouders kijken hebben bepaald geen positieve bijdrage aan het niveau dat het kind zal behalen. Ouders die veel voorlezen, brengen daarentegen succesvoller kroost voort.

Morele ontwikkeling
Televisie kijken leidt echter niet tot moreel verval, zo bepleit communicatiedeskundige Krijnen in haar proefschrift. Zij onderzocht allerlei tv-programma's en ontdekte een gemende deler. Van journaal tot teletubbies, van GTST tot Shownieuws. Bij elk programma pikt de kijker er een moreel thema uit zoals vriendschap, geweld of rechtvaardigheid. "Mensen leren verschillende perspectieven zien en worden gestimuleerd een eigen positie ten aanzien van het thema in te nemen." Hierbij valt op dat kinderen in vergelijking tot volwassenen meer zwart-wit oordelen.
Sportprogramma's bleken overigens de enige uitzondering: deze stimuleren onze morele ontwikkeling doorgaans niet. Hooguit wanneer het gaat over de vraag of en hoe keepers zich mogen verdedigen als zij worden aangevallen door losgeslagen 'supporters'.

Conclusie
Als we de diverse bronnen overzien, is er weinig bewijs dat de beeldbuis zelf kinderen slechter of dommer maakt. Ze kunnen er zelfs iets van leren. Maar pas op: dat betekent niet dat ouders hun kinderen onbeperkt tv kunnen laten kijken. Meer dan één televisie per huishouden werkt sowieso averechts! Dit betekent namelijk vaak dat huiswerktijd verloren gaat aan tv-tijd op de slaapkamer. Verder zijn alle onderzoekers het eens dat ouders grenzen moeten stellen aan de tv-tijd voor kinderen. En minstens zo belangrijk, dat ze weten waar hun kind naar kijkt.

Bronnen

vrijdag 3 februari 2012

Meer alleenstaande ouders: meer problemen voor kinderen?

Steeds minder kinderen wonen bij beide ouders. Dat blijkt uit cijfers die het CBS eind januari publiceerde. Hoe ouder het kind, hoe kleiner het aandeel dat nog bij beide ouders woont. Vooral bij gezinnen met een Surinaamse of Antilliaanse afkomst ligt het percentage alleenstaande ouders hoog. Is er een relatie met de manier waarop kinderen zich in deze gezinnen ontwikkelen? In hoeverre zijn kinderen gebaat bij stabiliteit? Of is scheiden soms beter?

Het is al langer bekend dat kinderen van gescheiden ouders later zelf ook vaker problemen krijgen. Vooral jongens vertonen meer risicovol gedrag, beginnen op jongere leeftijd met seks en relaties en scheiden zelf ook vaker. Het wordt wel gezegd dat jongens vaker problemen krijgen dan meisjes. Dat zou komen doordat het gemis van een vaderfiguur voor jongens groter is. De meeste kinderen blijven na een scheiding immers bij hun moeder wonen. Hierop verder redenerend zouden jongens dus wellicht meer gebaat zijn bij hun vader te gaan wonen, of bij de aanwezigheid van een stiefvader.

Stabiliteit boven alles
In 2009 trad echter een vooraanstaande Amerikaanse onderzoekster op het gebied van familierelaties naar buiten met een heel ander verhaal. Traditionele gezinsvormen zijn volgens dr. Kamp Dush niet beter voor een kind dan moderne gezinsvormen. Belangrijker dan de gezinsvorm is stabiliteit in het gezin. Enerzijds pleit dat vóór het 'bij elkaar blijven voor de kinderen'. Anderzijds betekent het ook dat wanneer het wegvallen van een ouder al een voldongen feit is, een één-oudergezin ook stabiel kan worden. Stabiliteit zou voor kinderen dan zelfs zwaarder wegen dan het opgroeien met twee ouders. Veranderingen in de familie vallen kinderen bijna altijd zwaar. Ook als die verandering inhoudt dat er een stiefouder in huis bijkomt. De onderzoeker raadt alleenstaande ouders dan ook aan alleen te gaan samenwonen als de relatie echt serieus is en een grote kans heeft op langdurig succes.

Maar niet voor iedereen
Opvallend resultaat in het onderzoek was dat het "stabiliteit-boven-alles-principe" niet leek op te gaan voor Afro-Amerikaanse gezinnen. Hier bleek het opgroeien in een één-oudergezin wel degelijk een aanleiding voor het ontwikkelen van gedragsproblemen. Kinderen uit "intacte" Afro-Amerikaanse gezinnen deden het beduidend beter op school dan de kinderen met alleenstaande ouders.
Naar aanleiding van de cijfers van het CBS moet nu onderzocht worden of dit laatste ook geldt voor de kinderen in Nederland van Surinaamse en Antilliaanse afkomst. Wanneer blijkt dat deze kinderen hoe dan ook beter af zijn met twee ouders, moet aan deze doelgroepen wellicht speciale aandacht worden geschonken in preventie- en interventieprogramma's rondom echtscheiding en gevolgen voor kinderen.

Twijfel over objectiviteit van onderzoek
Het ingewikkelde bij onderzoek naar echtscheiding is dat onderzoeksuitkomsten soms gekleurd schijnen te zijn door persoonlijke opvattingen van de onderzoekers. Zo zouden conservatieve wetenschappers meer gedreven zijn om traditionele gezinsvormen te verdedigen en vice versa. Een kritische blik is bij deze gevoelige onderwerpen dus extra belangrijk.

Bronnen