woensdag 11 april 2012

Valse herinneringen niet van echte te onderscheiden

'Ik werd meegenomen naar een afgelegen boerderij en moest naakt toekijken hoe een paard met een honkbalknuppel werd geslagen', aldus een minderjarig slachtoffer tijdens het grootste misbruikproces van de Amerikaanse geschiedenis in de jaren '80. Vijf jaar lang heeft de man die verdacht werd van deze feiten vastgezeten. Dat bleek vijf jaar teveel, toen de rechtbank in Californië besloot dat de belastende verklaringen van de vermeende slachtoffers berustten op valse herinneringen...

Dit fenomeen blijkt nu, dertig jaar later, wetenschappelijk te verklaren. Herinneringen aan een gebeurtenis die nooit heeft plaatsgevonden liggen namelijk vast in geheugensporen, hetzelfde mechanisme dat ook achter echte herinneringen zit. Deze verontrustende ontdekking deed Dr. Henry Otgaar van Maastricht University.

'Zogenaamde pseudo-herinneringen kunnen spontaan ontstaan door foutjes van de hersenen', licht onderzoeker Otgaar toe. 'Ons geheugen is flexibel en dat is maar goed ook: niet alle herinneringen zijn even belangrijk. Soms maakt het geheugen een foutje, maar dat heeft normaal gesproken geen ernstige consequenties. In de rechtszaal is het echter een ander verhaal...'

'Wat moest je doen van die enge meneer?'
Dat kinderen gevoelig zijn voor suggestieve ondervraging was al langer bekend. Door de manier van vragen stellen kunnen zij overtuigd raken dat ze iets is aangedaan wat feitelijk nooit gebeurd is. Het Maastrichtse onderzoek laat nu zien dat deze valse herinneringen in de hersenen op dezelfde manier opgeslagen worden als waargebeurde herinneringen. Het onderzoek suggereert bovendien dat kinderen deze valse herinneringen hun hele leven met zich mee zullen dragen. Zowel voor het kind als voor de rechtsgang een pijnlijke conclusie.

In het onderzoek kregen vijfenveertig kinderen van 8 jaar oud twee verhaaltjes voorgelegd. Het ene verhaal ging over een gebeurtenis die ze daadwerkelijk hadden meegemaakt: hun eerste schooldag. Ouders hadden hier door middel van een vragenlijst details over verstrekt. Het andere verhaal was fictief en ging over een luchtballonvaart. Ook deze gebeurtenis werd aan de kinderen gepresenteerd alsof ze deze echt hadden ervaren. In de verschillende interviews die volgden, bleek meer dan de helft van de kinderen valse herinneringen te hebben ontwikkeld aan de ballonvaart.

Het bewijs dat er bij deze kinderen echte geheugensporen waren gevormd, werd afgeleid uit de reactiesnelheid waarmee deze kinderen de valse herinneringen bevestigden. Alleen bij 'echte' herinneringen –waar geheugensporen bij betrokken zijn- zijn mensen sneller in het bevestigen dan ontkennen van meegemaakte gebeurtenissen.

Maar kunnen we deze resultaten zomaar generaliseren naar negatieve, traumatische herinneringen? Met andere woorden, geloven die kinderen het verhaal over de luchtballon niet gewoon omdat het zo'n leuk verhaal is? 'Integendeel', reageert Otgaar, 'uit eerder onderzoek blijkt juist dat verhalen over nare gebeurtenissen zoals UFO-ontvoeringen en darmspoelingen nog gevoeliger zijn voor pseudo-herinneringen'.


tekstvak valse herinneringen.JPG

Deze uitkomst maakt de rechtspraak er niet makkelijker op, maar mogelijk wel eerlijker. Otgaar: "Helaas laat dit onderzoek zien dat echte en valse herinneringen bijna niet van elkaar te onderscheiden zijn. Dat komt omdat beiden door geheugensporen gedragen worden."
We moeten dus extreem voorzichtig zijn met getuigenverklaringen om te voorkomen dat mensen onterecht veroordeeld worden. Dat wil niet zeggen dat er geen aandacht moet zijn voor de herinneringen van het slachtoffer, die zijn namelijk echt. Of de herinnering nu wel of niet daadwerkelijk gebeurd is.


Bron

Jaloers op een pop

Ouders die met een pop spelen en daarmee hun kind negeren, roepen vaak jaloeziegedrag op bij hun kind. De mate van deze jaloezie voorspelt of de kinderen later ook jaloers zullen worden op een pasgeboren broertje of zusje. De moeder wekt daarbij meer jaloezie op bij het kind dan de vader. Dit blijkt uit NWO-onderzoek van psychologe Nóra Szabó. Ze promoveert op 10 april aan de Universiteit Utrecht.

De Utrechtse psychologe onderzocht via drie huisbezoeken aan 87 twee-oudergezinnen in Nederland hoe de verhoudingen binnen een gezin veranderen door de komst van een tweede kind. Peuters vertonen al voor de geboorte van een broertje of zusje jaloers gedrag wanneer ze genegeerd worden door hun ouders. Uit het promotieonderzoek van Szabó blijkt nu dat deze jaloezie sterker is wanneer de aandacht van ouders wordt opgeëist door een pop dan wanneer zij bijvoorbeeld een boek lezen. Kinderen gebruikten verschillende 'strategieën' om de aandacht van de ouders terug te winnen. Sommigen zochten troost of probeerden ouders af te leiden, anderen reageerden met woede en agressie.

Moeders aandacht is heilig
Opmerkelijk was dat moeders meer jaloers gedrag opriepen bij het kind dan vaders. "Wellicht komt dit omdat moeders gemiddeld meer tijd doorbrengen met het kind," verklaart Szabó. "Dat maakt dat kinderen eerder verwachten door hun moeder dan hun vader getroost te worden en dus sterker reageren als die aandacht uitblijft." De onderzoekster constateerde daarnaast dat kinderen die extreem jaloers waren op de pop, een maand later ook jaloerser waren op hun pasgeboren broertje of zusje.

Jaloezie neemt af
Bij een huisbezoek een jaar later waren de eerstgeboren kinderen minder jaloers op hun broertje of zusje dan het jaar ervoor; mogelijk omdat het kind tegen die tijd beter heeft geleerd emoties te reguleren. Dit effect van afnemende jaloezie was sterker bij ouders die aangaven dat de gezinsrelaties goed waren. Volgens Szabó is het belangrijk om te ontrafelen welke factoren bijdragen aan de band tussen broertjes en zusjes. Deze vroege interacties zijn namelijk bepalend voor latere relaties die het kind aangaat.

Wisselwerking tussen ouders
Paradoxaal of juist logisch, ouders bleken in de opvoeding minder als een team te functioneren wanneer het tweede kind veel huilde. Ook naar het eerste kind toe waren zij minder coöperatief. Verder stelde  Szabó vast dat vaders zich meer terugtrokken als de moeder al aandacht schonk aan het kind, terwijl dit andersom niet het geval was. Op het moment dat de moeder wegviel, nam de vader echter wel weer de volledige zorg en aandacht voor het kind op zich.


Bron

vrijdag 23 maart 2012

Neurofeedback bij autisme blijft discutabel

Neurofeedback wordt op steeds meer plekken aangeboden als effectieve therapie voor kinderen en jongeren met ADHD en autisme. Met behulp van elektroden op het hoofd en terugkoppeling via de computer leren kinderen hun eigen hersenactiviteit te beïnvloeden. Er bestaan inmiddels overtuigende aanwijzingen dat het werkt tegen ADHD, maar wat betreft autistische symptomen blijven de resultaten controversieel.

Orthopedagoog Mirjam Kouijzer was na haar afstudeerscriptie zo enthousiast geworden over de effecten van neurofeedback dat ze besloot er een proefschrift aan te wijden. Specifiek over kinderen met autisme. Formeel gezegd onderzocht zij of 'het inzicht in hun eigen fysiologische processen bij deze kinderen zodanig kan veranderen, dat hun gezondheid en functioneren merkbaar verbeteren'. Oftewel, of kinderen door het 'belonen van goede hersenactiviteit' beter gaan presteren op bepaalde testjes en minder autistisch gedrag vertonen. De hersengolfactiviteit werd gemeten als elektro-encefalogram (EEG) met behulp van elektroden op de hoofdhuid. Door beloning met beeld en geluid werden de autistische hersentjes gestimuleerd bepaalde frequenties te verhogen of juist te verlagen, omdat daar het probleem zou zitten. Kinderen met autisme zouden namelijk grote hoeveelheden trage hersengolven hebben, iets dat zich bij andere mensen alleen tijdens de slaap en in rust voordoet. De uitkomsten van het promotie-onderzoek zijn niet erg eenduidig, maar daarom niet oninteressant.


Jong en flexibel

De eerste serie resultaten gaf veel hoop. Kinderen van acht tot twaalf jaar gingen in de loop van de behandeling aanzienlijk vooruit in hun denken en handelen. Parallel hieraan nam de hoeveelheid trage hersengolven bij deze kinderen inderdaad af. De kinderen bij wie deze golven waren afgenomen, deden het opmerkelijk goed tijdens testjes die zogenaamde executieve functies meten. Dit zijn de functies die ook bij kinderen met ADHD problemen opleveren: schakelen, planning, aandacht en het onderdrukken van impulsen.

Dat was allemaal nog niet erg verrassend. Bij kinderen met ADHD was het bewijs immers al vrij sterk. Spannender was het of ouders thuis ook veranderingen konden merken. Dat bleek het geval te zijn. De communicatie verliep beter en kinderen waren handiger in sociale interacties. Ook bleven ze minder hangen in herhalingen, die zo kenmerkend zijn voor autisme. Omdat Kouijzer vermoedde dat ouders mogelijk bevooroordeeld waren door hun positieve verwachtingen, herhaalde ze het onderzoek op school. Hier was het effect iets minder duidelijk, maar vergeleken met de controlegroep die nog op de wachtlijst stond, nog altijd positief.


Maximumleeftijd voor neurofeedback?

Tot zover het goede nieuws. Helaas waren er ook kinderen bij wie de behandeling niet aansloeg. Bovendien werd bij de kinderen met een afname in autistisch gedrag niet duidelijk of dit effect wel blijvend was.

In de groep jongeren van twaalf tot achttien jaar gaf de uitslag nog minder reden tot juichen. Weliswaar verminderde de hoeveelheid trage hersengolven en verbeterde hun cognitieve flexibiliteit op lange termijn; ouders zagen vrijwel geen effect terug in het gedrag. Dit kan wellicht voor een deel verklaard worden doordat ouders minder zicht hebben op hun puberkinderen. Maar iets anders ligt meer voor de hand. "Misschien werkt neurofeedback gewoon beter bij jonge kinderen omdat hun brein nog makkelijker te trainen is."

Wat kunnen we nu concluderen? Kouijzer maakt er niet meer van dat het is. "Op dit moment is er gewoon geen overtuigend bewijs om neurofeedback aan te bevelen als een effectieve behandeling voor jeugdigen met autisme." Het College voor Zorgverzekeringen adviseert neurofeedback dan ook niet te vergoeden. Er moet meer duidelijkheid komen bij welke kinderen het wel werkt en bij welke niet. Tot die tijd is neurofeedback gezien de forse kosten niet voor elk kind weggelegd.


Bron
  • Kouijzer, M. Neurofeedback treatment in children and adolescents with autism: addressing the controversy. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, 2011.

vrijdag 16 maart 2012

Meertaligheid ook voor kinderen met beperking

Meertaligheid ook voor kinderen met beperking
Meertaligheid heeft de toekomst. Talenkennis blijkt steeds belangrijker voor de kansen van jonge mensen op de arbeidsmarkt. En de vroege kindertijd is de ideale levensfase om een of meer talen goed onder de knie te krijgen. Maar geldt dat ook voor kinderen met een communicatieve beperking, bijvoorbeeld autisme? Het voorlopige antwoord van de wetenschap luidt ja.

Steeds meer kinderen in Nederland groeien op met meer dan één taal. Soms omdat in de familie een andere taal dan Nederlands nu eenmaal de voertaal is, soms omdat ouders een bewuste keuze maken hun kind een tweede taal aan te bieden. Het spreken van meerdere talen biedt kinderen zonder twijfel extra kansen. Maar deze trend plaatst ons ook voor nieuwe vragen en uitdagingen. Hoe kunnen we zorgen dat kwetsbare kinderen opgroeien in een omgeving waarin ze zich én sociaal-emotioneel optimaal ontwikkelen én de verschillende talen van hun omgeving goed leren? Is meertaligheid eigenlijk wel verantwoord voor kinderen met een beperking?

Baat het niet dan schaadt het niet
Mirjam Blumenthal van de Koninklijke Kentalis concludeert uit eigen onderzoek dat ook kinderen met een communicatieve beperking zoals autisme meerdere talen kunnen leren, zonder daardoor in hun ontwikkeling te worden geschaad. “Naast het kind hangt het in grote mate van de omgeving af in hoeverre de meertalige ontwikkeling succesvol zal verlopen. Een omgeving waarin het kind zich veilig voelt, waarin veel interactie is en beide talen gestimuleerd worden, is het meest gunstig.” De onderzoekster benadrukt dat succes ook kan betekenen dat het kind één van de talen alleen verstaat en slechts een paar woorden in die taal kan spreken. Maar het zal er in ieder geval geen schade van ondervinden.

Ook van dyslexie en stotteren vragen ouders zich vertwijfeld af of dit kan worden veroorzaakt of verergerd door een meertalige opvoeding. Het onderzoek is duidelijk: dat is evenmin bewezen.  Blumenthal pleit daarom voor een einde aan de negatieve, achterhaalde beeldvorming over meertaligheid.

Voordelen van meertaligheid
De huidige opmars van de meertaligheid komt niet uit het niets. Meertalige kinderen schijnen beter te zijn in het negeren van niet-relevante informatie en beter in multitasking. Sommige onderzoeken gaan nog verder. Symptomen van Alzheimer zouden zich bij meertaligen vijf tot zes jaar later manifesteren dan bij ééntaligen. Het Frans of Engels dat we op school hebben geleerd telt hierbij helaas niet mee als tweede taal…

Bewust of onbewust
In veel gevallen is er niet eens echt sprake van een keuze: de omgeving is nu eenmaal meertalig. Stel dat een hulpverlener of leerkracht twee Turkse ouders zou aanraden om met hun gedragsmatig moeilijke zoon alleen nog maar Nederlands te spreken. Als andere familieleden vervolgens wel Turks met elkaar blijven spreken, raakt het kind- dat toch al niet goed in zijn vel zat- makkelijk in een isolement. Forceren werkt dan averechts. Een Amerikaans onderzoek onder 600 adolescenten geeft eenzelfde beeld. Jongeren die de (minderheids)taal van hun ouders niet vloeiend beheersen, voelen meer emotionele afstand tot hun ouders en zijn minder geneigd met hen te discussiëren. Een onwenselijke situatie.

Soms is er wel een keuze. Bijvoorbeeld als een familie overweegt om naar het buitenland te emigreren. De omgeving gaat van een ééntalige naar een meertalige omgeving. Dan kan de beperking van het kind meegewogen worden in de beslissing. De meeste kinderen met autisme kunnen moeilijk omgaan met veranderingen. Behoud van de ééntalige omgeving, dus niet verhuizen, is dan vaak makkelijker voor het kind. Voor andere (meertalige) gezinnen betekent niet veranderen juist het behoud van de tweetalige omgeving. Rigoureus stoppen met het gebruik van de ‘eigen taal’ kan bij deze kinderen voor grote weerstand zorgen.

Voor onzekere ouders is het essentieel dat zij advies op maat krijgen, en dat dit gebeurt in samenspraak met ouders. Elke situatie en elk kind zijn immers anders. Het is in ieder geval verstandig te kijken welke taal ouders zelf het best beheersen. Een goede taalbeheersing is namelijk nodig om je gevoelens en gedachten duidelijk over te brengen. In welke taal het kind terugpraat is dan van secundair belang.

Debat zonder einde
In de politiek is de afgelopen jaren volop gedebatteerd over meertaligheid. Omdat de wetenschap op dit terrein nog geen consensus heeft bereikt, zal de discussie voorlopig aanhouden. Wel zijn de speciale lessen die allochtone leerlingen voorheen in hun eigen taal kregen, inmiddels weer afgeschaft. Dit tot grote teleurstelling van veel mensen uit het onderwijs, die naast het bevorderen van de leerprestaties ook wijzen op het toegankelijker maken van de school voor ouders. De mogelijkheid dat kinderen met communicatieve stoornissen wellicht extra belang hebben bij onderwijs in hun meest vertrouwde taal, is in deze discussie helaas buiten beschouwing gebleven.

De beeldvorming en kennis rondom meertaligheid dringen langzaam maar zeker door tot de maatschappij. Onderzoek van de wetenschapswinkel in Groningen laat echter zien dat nog altijd 36% van de ouders van meertalige kinderen ten onrechte denkt dat de afwijkende taal van hun kind tot meer problemen met het Nederlands leidt. Alle ouders vinden het belangrijk dat hun kroost goed Nederlands spreekt, maar een groot deel realiseert zich niet dat het stimuleren van de ‘eigen taal’ minstens zo belangrijk is, en zelfs bevorderlijk is voor het Nederlands.

Blumenthal hoopt dat betere informatie zal leiden tot bewuster gemaakte keuzes en een positievere en open sfeer rondom meertaligheid. Tot dusver ziet zij geen reden om kinderen met een beperking de extra kansen van meertaligheid bij voorbaat te onthouden.


Bronnen

donderdag 8 maart 2012

Barbies, ob's en bh's

Meisjes raken op steeds jongere leeftijd in de puberteit. Bijna vijftien procent van de zevenjarige Amerikaanse meisjes heeft al borstvorming. Nederlandse meisjes worden tegenwoordig bijna drie jaar eerder ongesteld dan een eeuw geleden. Lang werd gedacht dat de hogere gezondheidsstandaard de enige oorzaak was van deze trend. Nu zijn er wetenschappers die denken dat juist armoede ook een rol kan spelen.

Het valt Amerikaanse wetenschappers al tijden op dat meisjes uit relatief arme families in de westerse wereld vroeger rijp zijn dan hun rijkere seksegenoten. Verder neemt het aantal mensen dat in de VS in armoede leeft elk jaar toe, meer dan op basis van de bevolkingsgroei verwacht mag worden. Ruim 15% van de Amerikanen leeft inmiddels onder de armoedegrens en de kloof tussen rijk en arm wordt almaar groter. Wetenschappers denken dat er een verband bestaat tussen de toenemende armoede en de steeds vroeger intredende puberteit.


Obesitas, vervuiling, evolutie en stress

Maar waarom zou armoede er dan toe leiden dat meisjes eerder in de puberteit komen? Hier bestaan meerdere hypotheses over. Arts en hoogleraar Frank Biro van de Universiteit van Cincinnati licht ze toe op de website Kennislink.

De ene kant van de armoede-hypothese is van fysiologische aard. Arme mensen zijn vaker te dik. Vetcellen zouden bepaalde hormonen uitscheiden die de puberteit vroegtijdig kunnen aanwakkeren.
Aan de andere kant zouden de leefomstandigheden zelf op drie manieren invloed hebben op het intreden van de puberteit. Ten eerste wonen arme mensen vaker in dichtbevolkte, stedelijke gebieden. Hier heerst meer vervuiling. Bepaalde chemicaliën die veel in plastic voorkomen zouden verwant zijn aan het vrouwelijk geslachtshormoon oestrogeen. Dit zou het hormoonsysteem van zelfs ongeboren kinderen kunnen aantasten.
Ten tweede hebben arme mensen, mede door hun zwaardere leefomstandigheden, een kortere levensverwachting dan rijke mensen. Zij krijgen gemiddeld op jongere leeftijd hun eerste kind en moeten dus ook eerder geslachtsrijp zijn. Het zou als het ware een evolutionair mechanisme zijn: zorgen dat je je genen doorgeeft, voor het te laat is.
Ten derde zouden meer stressvolle leefomstandigheden en ingrijpende gebeurtenissen er voor kunnen zorgen dat kinderen zich niet veilig hechten, bijvoorbeeld door de afwezigheid van een vader of het ervaren van weinig ouderlijke liefde. Het lichaam reageert dan anders op stress. Net als de kortere levensverwachting zou deze reactie een teken zijn dat het "haast moet maken" met de voortplanting.

Armoede blijkt bij de één meer invloed te hebben op het intreden van de puberteit dan bij de ander. Zo zijn er ook meisjes uit rijke milieus die op hun zevende borsten krijgen, en omgekeerd meisjes uit arme milieus die pas op hun zestiende ongesteld worden. Dit heeft te maken met genetische verschillen. Genen en omgeving kunnen elkaar compenseren, maar ook versterken.

Wat betreft de discussie over het aandeel van genen en omgeving zijn adoptiekinderen een interessante onderzoeksgroep. Adoptiemeisjes in westerse landen worden niet alleen eerder ongesteld dan hun leeftijdsgenootjes in het land waar ze wonen, maar ook in vergelijking met het land van herkomst. Geadopteerde meisjes die voor hun achtste in de puberteit raken, hebben bijna allemaal een snelle inhaalgroei meegemaakt direct na de adoptie. Een relatie met voeding lijkt erg aannemelijk, maar is nog te weinig onderzocht.


Grotere kans op borstkanker

Gelukkig zijn niet alle meisjes even vatbaar voor slechte leefomstandigheden. Een vroeg intredende puberteit heeft namelijk behoorlijke nadelen. Niet alleen is het voor jonge meisjes emotioneel belastend en brengt het het nodige geregel aan maandverband en bh's met zich mee, er zijn mogelijk ook gezondheidsrisico's. Met de puberteit begint namelijk de oestrogeenproductie. Hoe langer je blootgesteld wordt aan dit hormoon, hoe groter de kans op borstkanker volgens het Dossier Borstkanker 2008 van het Instituut Reinier de Graaf.

Het is overigens niet bekend of er een relatie is tussen het aanvangsmoment van de puberteit en de menopauze. Het aantal vruchtbare jaren lijkt eerder afhankelijk van de hoeveelheid eicellen die het kind bij de geboorte meekrijgt. De een heeft van zichzelf nu eenmaal een grotere voorraad dan de ander.


Kleuters met borsten?

Als de puberteit steeds eerder begint, krijgen we dan straks kleuters met borsten? Nee, volgens Biro ligt de grens ongeveer bij zes jaar. Afro-Amerikaanse meisjes zouden die grens inmiddels nabij zijn. Voor meisjes die vóór hun achtste in de puberteit raken, kan in sommige gevallen een behandeling overwogen worden. Een argument hiervoor kan zijn dat het kind nog een paar jaar langer door kan groeien. Soms is er ook een medische indicatie.

Overigens zijn er ook nog steeds deskundigen die het juist als een goed teken beschouwen dat meisjes tegenwoordig vroeger in de puberteit raken dan vroeger. Betere voeding en een hogere gezondheidsstandaard zijn volgens hen de oorzaken. Hoe minder vaak een kind ziek is geweest, hoe beter het groeit en hoe sneller het zich kan ontwikkelen, menen zij. Dit lijkt te rijmen met onderzoeksuitkomsten uit India, waar meisjes uit welgestelde gezinnen juist eerder ongesteld bleken te worden dan meisjes uit arme families.

Goed teken of niet, duidelijk is dat we te maken hebben met een hardnekkige en ingewikkelde trend. Er spelen waarschijnlijk meerdere factoren mee. De tijd zal ons leren welke vertegenwoordiger van welke hypothese aan het langste eind zal trekken. Eén ding is zeker. Ook voor de juf van groep 4 is het geen overbodige luxe de nodige kennis en materialen paraat te hebben. Voor het geval dat...


Bronnen

woensdag 29 februari 2012

Eet je slim/slank/snel/sterk*!

Geef uw kind genoeg van stof A, maar pas op: in combinatie met stof B is stof A juist ongezond! Duizelt het u soms ook van alle do's en don'ts op het gebied van gezonde voeding en drinken? Dit artikel biedt u een overzicht van een aantal recente onderzoeksuitkomsten. Daarnaast aandacht voor de bijzondere plek van voeding in het speciaal onderwijs.

Uiteraard is variatie in voeding het allerbelangrijkst. Enkele voedingsmiddelen hebben onlangs het nieuws gehaald om hun specifieke werking.
  • De geur van bepaalde kruiden zoals rozemarijn, bevordert de snelheid en nauwkeurigheid op bepaalde mentale taken. De precieze werking is nog onbekend.
  • Kinderen die schoolmelk drinken groeien beter en hebben sterkere botten. Dat werd in de jaren '30 aangetoond. Maar er is ook steeds meer kritiek. Drinken zou de verantwoordelijkheid van ouders zijn en de school geen plek voor commercie.
  • Genoeg drinken is in ieder geval belangrijk voor elk kind. Vanaf 12 jaar minimaal anderhalve liter per dag. Het zorgt voor een betere concentratie, een beter humeur en meer energie. Vooral bij vrouwen kan een vochttekort chagrijnigheid en vermoeidheid veroorzaken. Het is belangrijk kinderen preventief te laten drinken en niet pas wanneer ze aangeven dorst te hebben.
  • Over de werking van visolie verschillen de onderzoeksuitkomsten. Er zijn positieve effecten bekend bij kinderen met aandachtsproblemen, emotionele gevoeligheid of labiliteit en slaapproblemen. Het effect zou niet onderdoen voor dat van Ritalin.
  • Bananen staan, net als aardappelen, onterecht bekend als dikmakers. Een banaan levert snel energie en bevat mineralen die een belangrijke rol spelen bij het doorgeven van prikkels in het zenuwstelsel en bij de regeling van de bloeddruk. Ze bevatten weliswaar meer calorieën dan ander fruit, maar stukken minder dan snoep. Voor de tanden zijn ze echter net zo slecht.
Eten op het speciaal onderwijs
Het eten op het speciaal onderwijs neemt vaak een bijzondere plaats in. Kinderen van ZMOK-scholen worden niet zelden met een lege maag naar school gestuurd. Op sommige scholen wordt daarom gestart met een gezamenlijk ontbijt. Langdurig zieke kinderen zijn vaak moeilijke eters of hebben een speciaal dieet nodig. Kinderen op het speciaal onderwijs gaan tussen de middag niet naar huis, maar lunchen op school. De schoolmaatschappelijk werker (of bij cluster 3 de schoolverpleegkundige) heeft een coördinerende rol ten aanzien van de voeding. Naast de fysieke noodzaak van een goede voeding heeft het gezamenlijke eten ook een sociale en pedagogische waarde.

Doe gezond, gebruik een App
Voor ouders die willen weten of hun kind goed groeit, heeft TNO een App ontwikkeld voor de smartphone. Door zaken als de lengte, leeftijd en gewicht van het kind in te vullen, zie je of je kind op schema ligt in het groeidiagram. De App geeft ook handige tips voor voeding en beweging.

Bronnen

dinsdag 28 februari 2012

Middelbare schooladvies: meer dan Cito-score

Het juiste advies voor voortgezet onderwijs
De Cito-toets zit er weer op. Een spannende tijd voor veel groep 8-ers en hun ouders. Welke middelbare school zou het worden? Gelukkig hangt de keuze niet alleen van de Cito-uitslag af. De indruk van de leerkracht en de wensen van ouders en leerling tellen ook mee. In het verleden werd soms echter geconstateerd dat er te hoge of juist te lage adviezen werden gegeven, met name aan allochtone leerlingen. Is er wetenschappelijk bewijs voor dergelijke over- of onderadvisering?

De overgang van basis- naar voortgezet onderwijs vormt een cruciaal moment in de schoolloopbaan. Een goed advies is daarom essentieel. Deze dient vooral gebaseerd te worden op de cognitieve capaciteiten van een leerling, maar daarnaast ook op zaken als motivatie, interesse en ondersteuning vanuit thuis.

Allochtoon vs. autochtoon
Eind jaren tachtig was er inderdaad sprake van overadvisering van allochtone leerlingen. Volgens leerkrachten hadden deze leerlingen voldoende intellectuele capaciteiten om het niveau van het gekozen voortgezet onderwijs te halen. Hun nog ontoereikende Nederlandse taalvaardigheid mocht hen niet beperken. Hier woog het potentieel van de leerling dus zwaarder dan de feitelijke resultaten op een test en werd er op leerlingniveau beoordeeld. Daarbij speelde ook mee dat men bang was om van discriminatie beschuldigd te worden. 

De beoordeling van een leerling kan ook beïnvloed worden door de samenstelling van de klas. De sociale en etnische samenstelling van een groep bepalen mede het gemiddelde prestatieniveau. Kinderen uit allochtone en lagere sociale milieus presteren gemiddeld slechter dan kinderen uit autochtone en hogere sociaal economische milieus. Als de basisschoolklas verhoudingsgewijs meer leerlingen uit de eerstgenoemde groep heeft, is de kans op een te hoog advies voor het voortgezet onderwijs groter. Het gemiddelde prestatieniveau van die klas ligt immers lager dan dat van de gemiddelde middelbare school. Een kind dat op de basisschool bovengemiddeld scoorde in vergelijking met zijn klasgenootjes, kan dan toch het beste af zijn met een vmbo advies.

Grootstedelijk fenomeen
In een bredere context stellen onderzoekers dat overadvisering ook een typisch grootstedelijk fenomeen zou kunnen zijn. Volgens hen kan dit mede worden toegeschreven aan de specifieke leefstijl en het meer assertieve klimaat in grote steden. Leerkrachten hebben minder gezag en ouders komen sneller op voor hun rechten. Sinds de invoering van het vmbo zijn maar weinig ouders blij met dit schooladvies voor hun kind.

Halverwege de jaren negentig is de overadvisering van allochtone leerlingen sterk verminderd. In 2000 kwamen er zelfs signalen van onderadvisering uit de achterstandsmilieus. Dit betrof echter niet zozeer de allochtone leerlingen, maar juist de groep autochtone achterstandsleerlingen. Wellicht is de jarenlange aandacht voor de allochtone achterstandsgroep ten koste gegaan van de autochtone achterstandsgroep.

Reële onderwijskeuze maken
Zowel over- als onderadvisering is onwenselijk voor leerlingen en ouders. Onderadvisering kan een kind blijvend op achterstand zetten. Bij overadvisering kan het twee kanten op gaan. Of de leerling haalt lage cijfers, het zelfvertrouwen wordt aangetast en uitval dreigt, óf de leerling stijgt boven zijn niveau uit door de extra uitdaging en stimulans.

In het huidige onderwijssysteem blijkt er nauwelijks nog sprake te zijn van een te hoog of te laag schooladvies. Wanneer de adviezen puur op de Cito-eindtoets zouden worden gebaseerd, zouden leerlingen gemiddeld een te laag advies krijgen. Dit geldt vooral voor autochtone leerlingen. Wanneer ook andere leerling-, klas- en contextkenmerken worden meegenomen blijkt uiteindelijk dat alleen nog de autochtone achterstandscategorie iets wordt ondergeadviseerd. De autochtone, hoogopgeleide categorie wordt iets overgeadviseerd.

Voor zowel ouders als de basisschool is het van groot belang reëel te blijven kijken naar het kind en goed te bedenken waar het kind het beste tot zijn recht komt. Negeer groepsdruk en ga voor het onderwijsgeluk.

Bron 
  • Driessen G. en Cuppen J., Ieder het juiste advies voortgezet onderwijs? Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 2012.