dinsdag 15 november 2011

Voorkom problemen bij kind van psychiatrische patiënt

dinsdag, 15 november 2011

Ruim anderhalf miljoen kinderen in Nederland hebben een ouder met een psychiatrische stoornis. Omgaan met psychische problematiek in combinatie met de verantwoordelijkheden van een kind opvoeden is moeilijk. KOPP kinderen lopen mede daardoor meer risico zelf een psychische stoornis te ontwikkelen. In België zijn de afgelopen vier jaar de effecten van het preventieve programma KOPP OP! onderzocht. De resultaten zijn veelbelovend.

Aanleiding voor onderzoek
In de hulpverleningssector is men slechts in beperkte mate op de hoogte van het thema KOPP. Volwassenen met een psychisch probleem worden bij hun vraag om hulp doorgaans als individu op zich ondersteund. Nog te vaak wordt over het hoofd gezien dat naasten van de cliënt evengoed onder de problemen gebukt gaan.
Psychische problemen kunnen de rol als ouder bemoeilijken, wat voor kinderen niet onopgemerkt blijft. Zo bleek dat veel volwassen KOPP-kinderen terugblikten op een jeugd waarin ze een gebrek aan duidelijkheid, openheid en mogelijkheid tot communicatie over de problematiek van de zieke ouder hebben ervaren. Dit liet bij hun grote sporen na.
Daarnaast zijn er KOPP-kinderen wiens ouders zich nooit aanmelden voor enige vorm van hulpverlening of die door gebrek aan informatie 'onzichtbaar' blijven.

Preventieprogramma KOPP OP!
De KOPP OP!-interventie bestaat uit twee lagen; één voor het gezin en één voor de hulpverlener.
  1. Voor het gezin: gesprekken met het kind over zijn beleving van de problematiek van de ouder. Psycho-educatie maakt hier deel van uit. De hulpverlener probeert de risico- en beschermingsfactoren in kaart te brengen en optimaal te beïnvloeden. Hierbij wordt het hele sociale netwerk (school, buurt en familie) actief betrokken.
  2. Voor de hulpverlener: een 3-daagse interactieve training, waarin een koppeling van theorie en praktijkaspecten met betrekking tot KOPP centraal staan.
Gezinnen in twee groepen verdeeld
Aan het onderzoek namen 47 gezinnen deel: 47 kinderen uit een gezin waarin minstens één ouder aan een psychische stoornis leed. De ene helft werd in de controlegroep ingedeeld. Deze gezinnen kregen wel een kennismakingsgesprek en uitleg over het onderzoek, maar geen behandeling. De andere helft werd ingedeeld in de interventiegroep en kreeg wel het KOPP OP!-programma aangeboden. Belangrijk is dat alle kinderen, zowel controlegroep als interventiegroep, bij aanvang psychisch gezond waren. Dit werd gemeten met gedragsvragenlijsten.

Afname in gedragsproblemen door KOPP OP!
Na afloop van de interventie werden de kinderen opnieuw aan de hand van vragenlijsten bekeken. En wat bleek? De kinderen uit de interventiegroep hadden volgens hun ouders aanzienlijk minder problemen gekregen! Vooral in agressief gedrag, concentratieproblemen en denkproblemen was een afname te zien. Ook vonden ouders hun kinderen minder teruggetrokken en depressief. Deze laatste effecten bleven echter op lange termijn niet even sterk. Een aanpassing van frequentie en intensiteit van het preventief programma in de toekomst kan hier mogelijk aan tegemoet komen.

Ook effect op steun en inzicht
Kinderen ervaren na de begeleiding door KOPP OP! meer steun van de leerkracht op school. Van andere omgevingsfiguren nam de ervaren steun helaas niet toe.Kinderen beschikken over een beter ziekte-inzicht dan voorheen. De psycho-educatie met betrekking tot de problematiek van de ouder heeft tot gevolg dat de kinderen meer vertrouwd zijn met de diagnose, het 'hoe en wat' van de problemen. Ze begrijpen de reacties van de ouder beter en zijn in staat deze binnen de problematiek te kaderen, waardoor ze minder geneigd zijn te denken dat de problemen zich voordoen door hun schuld. Schuld- en schaamtegevoelens nemen op lange termijn af. Deze tendens wordt niet gevonden in de controlegroep.

Effect op hulpverleners
De kennis van KOPP en de competentiebeleving groeien bij de hulpverleners, als gevolg van de training. Beide zaken blijven ook op langere termijn behouden. De theorie en de sterke link met de praktijk via videofragmenten, casusbesprekingen en rollenspelen, worden hiervoor verantwoordelijk geacht.
Conclusie is dat zowel het gezinsaanbod als de hulpverlenerstraining van KOPP OP! positieve gevolgen hebben voor de beoogde doelgroep. Dit zijn interessante resultaten die uitnodigen tot verder onderzoek en uitbreiding van initiatieven in de praktijk toegespitst op de KOPP-thematiek.


Bron

donderdag 10 november 2011

Waarom de één beter kan onthouden dan de ander

dinsdag, 08 november 2011

Zet twee leerlingen met een op papier gelijk niveau naast elkaar. Geef ze een geheugentaak en het ene kind zal geheid beter scoren dan het andere. Een Amerikaanse neuropsycholoog heeft ontdekt hoe dit komt. Hoe goed je iets kunt onthouden blijkt af te hangen van een bepaalde ritmische hersenactiviteit. Ook sterke verbindingen tussen verschillende hersengebieden helpen mee.

Het onderzoek bestond uit twee onderdelen. De onderzoeker liet proefpersonen tekeningen zien op een computerscherm. Zij kregen eerst de simpele opdracht om, nadat de tekening uit beeld verdween, deze nog een aantal seconden in gedachten te houden. Hierbij wordt een beroep gedaan op het werkgeheugen. Met behulp van een EEG werd tijdens de taak de hersenactiviteit van de deelnemers gemeten.
Daarna moesten de proefpersonen een tweede geheugentaak uitvoeren, waarbij het langetermijngeheugen werd getest. Ze kregen wederom een reeks tekeningen te zien en moesten van elke tekening aangeven of die ook te zien was geweest in de eerdere taak.

Ritmische hersenactiviteit
In de EEG's waren opvallende verschillen in ritmische hersenactiviteit te zien. Hiervoor moest worden ingezoomd op de prefrontale cortex, een hersengebied betrokken bij het werkgeheugen. Proefpersonen die tijdens de eerste geheugentaak een langzamer hersenritme vertoonden, presteerden significant beter op de tweede taak. Zij waren dus beter in het herinneren van moeilijk te onthouden tekeningen. Langzame hersenritmes zijn blijkbaar gunstig voor het verwerken en onthouden van complexe informatie.

Sterke verbindingen
Naast de prefrontale cortex werd ook de hippocampus, een hersengebied verantwoordelijk voor het langetermijngeheugen, door middel van MRI onder de loep genomen. Proefpersonen met sterkere connecties tussen deze twee gebieden bleken eveneens beter te scoren op de tweede taak. Een vergelijking met de EEG-data liet zien dat deze proefpersonen ook een langzamer hersenritme vertoonden in de prefrontale cortex.

Onderzoeksimplicaties
Mensen met sterkere verbindingen tussen twee belangrijke geheugencentra in het brein hebben dus een langzamer hersenritme in de prefrontale cortex en zijn beter in het aanmaken van herinneringen. De volgende vraag is natuurlijk waaróm dit zo is. En nog relevanter, of je deze verbindingen en ritmes kunt trainen, bijvoorbeeld met behulp van neurofeedback. Verder onderzoek hiernaar moet uitwijzen of het mogelijk is op die manier het geheugen te verbeteren. Vooralsnog is een spelletje memory op z'n tijd een goed alternatief...

NB. Dit onderzoek werd uitgevoerd bij volwassenen. Conclusies zijn dus niet vanzelfsprekend van toepassing op kinderen.


Bronnen
  • Website Medical Facts [accessed november 2011] Sterkere hersenverbindingen leiden tot betere geheugenprestatie. www.medicalfacts.nl origineel artikel
  • Cohen, M.X. Hippocampal-Prefrontal Connectivity Predicts Midfrontal Oscillations and Long-Term Memory Performance, Current Biology, 2011.

Kwart van gedragsgestoorde kinderen houdt levenslang problemen

donderdag, 03 november 2011

Worden gewelddadige kinderen later ook gewelddadige volwassenen? De afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie van het Erasmus Medisch Centrum heeft hier onderzoek naar gedaan. Het is één van de langstlopende bevolkingsonderzoeken naar de ontwikkeling van gedrags- en emotionele problemen van kindertijd tot volwassenheid. In een periode van maar liefst 24 jaar werden bijna 1500 kinderen gevolgd. 

Voorspelbaar probleemgedrag
Het is een vraag waar menigeen in onze sector weleens over na heeft gedacht. Ook kranten en televisieprogramma’s besteden regelmatig aandacht aan kinderen die gedragsproblemen vertonen. Hoe zijn deze kinderen er een generatie later aan toe? Het was al langer bekend dat externaliserend probleemgedrag van alle soorten gedragsproblemen het vaakst aanhoudt tot in de pubertijd. Agressie is dus meer persistent dan bijvoorbeeld angst voor spinnen of aandachtsproblemen. 
Nu blijkt bovendien dat externaliserend gedrag bij kinderen de meest kenmerkende voorspeller is van agressief, ernstig crimineel-  en gewelddadig gedrag in de volwassenheid. Vooral kinderen die een ernstige mate van antisociaal gedrag vertoonden kregen in hun volwassenheid problemen. Als kinderen ernstig externaliserend gedrag vertoonden in de kinderjaren kon dat tot op veertigjarige leeftijd problemen veroorzaken. Het is niet bekend of dit mogelijk samenhangt met testosteronspiegels bij mannen.
Van de verschillende soorten externaliserende gedragingen waren oppositioneel gedrag (driftig, koppig, ongehoorzaam) en heimelijk gedrag (vloeken, spijbelen, weglopen van huis, drugs- en alcoholmisbruik) het meest voorspellend voor later probleemgedrag. 

Proactief en reactief gedrag
Een ander belangrijk onderscheid moet gemaakt worden in proactieve en reactieve agressie. Er blijkt namelijk een belangrijk verschil tussen kinderen met proactief antisociaal gedrag en kinderen met reactief antisociaal gedrag. Deze laatste groep is voornamelijk ongehoorzaam en driftig uit reactie en niet uit eigen beweging. Reactief agressieve kinderen hebben minder kans om in hun volwassenheid agressief gedrag te vertonen. Zij zullen eerder angstig of depressief worden.
Een ander verhaal is het voor kinderen die proactief antisociaal zijn. Zij vertonen dit gedrag (liegen, stelen, vandalisme) uit eigen beweging en lopen zo een grotere kans om te ontsporen.

Conclusies na 24 jaar
De belangrijkste conclusie is dat er een aanzienlijke continuïteit van psychopathologie bestaat van kindertijd tot in de volwassenheid. Het lijkt zeer ernstig gesteld met de kinderen en jongeren die zoveel gedragsproblemen vertonen. Vierentwintig jaar studie heeft aangetoond dat uiteindelijk een kwart ontspoort. Gelukkig ondervindt driekwart van de kinderen met gedrags- en emotionele problemen geen problemen in de volwassenheid. Tijdige herkenning van gedragsproblemen lijkt essentieel, om probleemgedrag op latere leeftijd mogelijk te beperken. Garanties zijn er helaas niet.

Meer weten over agressie? Lees dan het artikel 'Agressie: verplaats focus van vorm naar functie'


Bron
  •  Reef,  J. Langdurige problemen voor gedragsgestoorde kinderen. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 2011

Emoties oorzaak van stotteren?

woensdag, 26 oktober 2011
Stotterende kinderen hebben vaak meer moeite om hun emoties onder controle te houden. Amerikaans onderzoek toont aan dat stotterende kinderen heftiger reageren op alledaagse stressvolle gebeurtenissen dan leeftijdsgenootjes die niet stotteren. Andere onderzoeken richten zich juist op genetische oorzaken. Vroegtijdige behandeling lijkt bij alle hardnekkige stotteraars aan te raden.

Verklaringen voor stotteren
Het stotteren begint meestal tussen het tweede en zesde levensjaar; de tijd dat kinderen leren praten. Stotteren wordt vaak geassocieerd met een snelle groei in de taalontwikkeling en gaat in veel gevallen vanzelf weer over. Het treft meer jongens dan meisjes. Tot nu toe wordt stotteren vooral beschouwd als een probleem veroorzaakt door een combinatie van genetische en omgevingsfactoren.
Onlangs is er een aantal gemuteerde genen ontdekt dat een rol speelt bij stotteren. Omdat stotteren vaak binnen bepaalde families voorkomt, werd een erfelijke oorzaak al langer vermoed.
In hoeverre emotionele factoren mogelijk een rol zouden kunnen spelen, is tot op heden minder duidelijk. Amerikaanse onderzoekers vergeleken een groep jonge stotteraars en met niet-stotteraars. Tussen de twee groepen kwamen drie belangrijke verschillen naar boven.
  1. Stotteraars reageerden heviger op bepaalde gebeurtenissen (bijvoorbeeld het afpakken van speelgoed);
  2. Stotteraars hadden meer tijd nodig om te kalmeren;
  3. Stotteraars bleven langer gefixeerd op de bron van de emotie, terwijl de niet-stotteraars geneigd waren om hun aandacht weer snel op iets anders te richten.
Rol van ouders
De resultaten van dit onderzoek komen overeen met wat ouders regelmatig rapporteren: wanneer een kind opgewonden is stottert het vaker en heviger. Volgens de onderzoekers kunnen ouders hun kinderen helpen door ze te laten zien hoe je op een kalme manier met tegenslag kan omgaan. Overigens kan het stotteren ook teweeg worden gebracht door hevige positieve emoties. Dit is iets voor ouders om rekening mee te houden in de timing en begeleiding van leuke spannende activiteiten.

Behandeling van stotteren
Als een deel van de oorzaak van het stotteren in een verstoorde emotieregulatie zit, ligt hier dan ook de oplossing? Dit wordt uit onderzoek onvoldoende duidelijk en moet dus uitgebreider onderzocht worden.
Andere gepubliceerde onderzoeksresultaten laten zien dat een combinatie van behandelingen het beste werkt. Een vroege behandeling gericht op de omgeving van het kind én gedragstherapeutische behandeling op basis van operante conditionering leidt bij de meeste kinderen tot herstel van stotteren. Operante conditionering wil zeggen het belonen van gewenst gedrag (vloeiende spraak).

De huidige richtlijn is om gedurende 6-12 maanden "gecontroleerd af te wachten" om te zien of het stotterende kind in de trend van natuurlijk herstel komt. Als dat uit blijft wordt geadviseerd gerichte therapie te starten.

Bronnen
  • Website Stotteren.nl [accessed oktober 2011] Emoties mogelijk oorzaak van stotteren. Journal of Communication Disorders, 2006. volledig artikel
  • Website Stotteren.nl [accessed oktober 2011] Effect van genen en van vroege therapie. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 2011. volledig artikel

Herstart junior helpt kinderen weer naar school

vrijdag, 14 oktober 2011

In de afgelopen drie jaar hebben 50 leerlingen deelgenomen aan een experimenteel Herstart junior project. Dat is een variatie op het landelijke Herstart-programma voor thuiszitters, maar dan speciaal voor de basisschool. Vrijwel alle kinderen zijn erin geslaagd hun schoolloopbaan weer op te pakken. Zowel ouders als kinderen ervaren Herstart als een fijne periode.

De verwachting van dit Rotterdamse experiment was dat vooral jongens uit groep 6,7 en 8 zich zouden aanmelden. Maar al gauw bleek dat er ook vanuit de onderbouw veel interesse was. De aanmeldingen betroffen vooral jongens, uit multi-problem gezinnen met vaak een allochtone afkomst. Zij waren van school verwijderd of bleven langere tijd ongeoorloofd weg van school.

Zeer intensief zorgarrangement
In termen van Passend Onderwijs is het Herstartproject een zeer intensief zorgarrangement. Het programma duurt 16 weken en bestaat uit 3 fases:
  1. week 0-5 Wennen aan regelmatige schoolgang, omgaan met leerlingen en leerkrachten, werkdoelen vaststellen, huisbezoek door maatschappelijk werker, toetsafname voor vaststellen niveau.
  2. week 6-10 Handelingsgericht onderzoek, evaluatie met ouders, aanvraag cluster 4 (indien nodig), omslag van wennen naar omgaan met gestelde eisen.
  3. week 11-16 Leerling werkt op eigen didactisch niveau en aan eigen gedragsdoelen, voorbereiding overdracht naar vervolgschool, eindevaluatie handelingsplan.
Sociaal-emotionele inhaalslag
De nadruk ligt binnen het project op de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen. Ze leren hun leerlingrol weer goed te vervullen en positief te functioneren in een groep leeftijdsgenoten. Aangezien zij op hun oude school vaak een uitzonderingspositie hadden, schieten hun sociale vaardigheden meestal tekort.

Succeservaring
Het succes van het project hangt van meerdere factoren af, zo beschrijft de uitvoerende projectlocatie. Voor alle leerlingen is het belangrijk succeservaringen op te doen. Dat gebeurt door nét iets lager in te steken dan het niveau dat bij de start bij de leerling wordt vastgesteld. Dit niveau bleek overigens vaak lager dan het niveau waar de verwijzende school vanuit ging.
De invulling van de lessen is grotendeels individueel, omdat de leerlingen allemaal een andere leeftijd hebben en de samenstelling van de groep voortdurend wisselt. Waar mogelijk wordt wel samengewerkt. Uiteraard is er tijdens vrije momenten meer ruimte voor het oefenen van sociale vaardigheden.

Herstart geslaagd, en daarna?
Na 16 weken moeten de kinderen doorstromen naar een vervolgschool. Doorgaans is dat een cluster 4 school: meestal ZMOK, soms LZK (internaliserend). Enkele kinderen gingen terug naar hun reguliere school van herkomst, met ambulante begeleiding vanuit het project. In sommige gevallen kwamen leerlingen in verband met wachtlijsten voor cluster 4 scholen, na afloop van het project alsnog tijdelijk thuis te zitten. Dit probleem geldt ook voor doorverwijzingen richting Jeugdzorg.

Op basis van de evaluatie lijkt Herstart junior een zeer nuttige toevoeging te zijn voor Passend Onderwijs. Het is al vele malen aangetoond dat het volgen van onderwijs de kansen op de arbeidsmarkt vergroot. Maar om elk kind in Nederland passend onderwijs te bieden, is nog veel meer nodig. Elk kind op de wachtlijst is er immers één te veel. Herstart junior is weliswaar een goede vroegtijdige interventie, maar vormt slechts een tijdelijke oplossing. Wel kan het project een bijdrage leveren aan preventie van definitieve schooluitval.

Bron
  • Van Haersma Buma, C. Op de Rails & Herstart junior. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 2011.

Meer zicht op onverklaarde lichamelijke klachten

donderdag, 06 oktober 2011

Eén op de acht jongeren heeft last van lichamelijke ongemakken waar geen medische oorzaak voor te vinden is. Deze klachten hebben, hoe onzichtbaar ook, vaak een grote impact op het dagelijks leven.

Dr. Janssens, onlangs gepromoveerd aan het UMC Groningen, heeft in kaart gebracht waar deze klachten precies mee samenhangen. Ingewikkeld genoeg blijkt het om drie verschillende soorten invloeden te gaan.
  • biologische processen (lichamelijke stressreactie, puberteitsontwikkeling)
  • psychologische risicofactoren (angst, depressie en stressbeleving)
  • sociale risicofactoren (overlijden of scheiding ouders, overbeschermende ouders, schoolverzuim).
De meest voorkomende onbegrepen lichamelijke klachten zijn: hoofdpijn, vermoeidheid, buikpijn, spierpijn en duizeligheid. De onderzoekster baseert haar conclusies op een langlopend onderzoek bij 2230 jongeren.

Biologische processen
Vooral jongeren met een abnormale hartslag of afwijkingen in de hoeveelheid stresshormoon (cortisol) bleken gevoeliger voor bepaalde lichamelijke klachten. Verder namen vermoeidheid, duizeligheid en spierpijn opmerkelijk toe in de puberteit, terwijl dit voor hoofdpijn en buikpijn niet het geval was. De biologische invloeden verschilden dus per type klacht.

Psychologische risicofactoren
Zijn zaken als angst en depressie nu de oorzaak van lichamelijke klachten, of vooral het gevolg er van? Dr. Janssens' antwoord luidt: allebei. Angstige en depressieve jongeren hebben enerzijds een verhoogde kans om onverklaarde lichamelijke klachten te ontwikkelen, maar de klachten kunnen op hun beurt de jongeren ook weer angstiger en depressiever maken. Een vicieuze cirkel!

Sociale risicofactoren
Jongeren die aangaven dat ze hun ouders overbeschermend vonden, bleken meer klachten te hebben. Overbescherming heeft dus een aantoonbaar averechts effect.
Leerlingen die veel ongeloorloofd verzuimden, hadden eveneens meer last van onverklaarde lichamelijke klachten dan leerlingen die dit niet deden. Ook het effect van pesten werd in dit kader onderzocht, maar dit leverde tegenstrijdige resultaten op. Enerzijds ervaren gepeste jongeren minder stress (en dus minder lichamelijke klachten) door niet naar school te gaan. School is immers vaak de omgeving waar het pesten plaatsvindt. Anderzijds bleek het thuiszitten zelf zoals gezegd weer ongunstig voor de klachten. Vermoedelijk komt dit doordat je thuis meer gefocust bent op jezelf. Lichamelijke klachten krijgen meer aandacht en worden groter.

Deze laatste categorie factoren zijn het makkelijkst te veranderen en bieden dus de beste mogelijkheden voor preventie en aanpak van onverklaarbare lichamelijke problemen. Het nut van de volkswijsheden 'er op uit gaan' en ' een frisse neus halen' lijkt op basis van deze resultaten wetenschappelijk aangetoond.

Bron

Slaaptekort is risicofactor voor gedragsproblemen

vrijdag, 30 september 2011

Al lange tijd is bekend dat slaap een duidelijk verband heeft met het functioneren op school en de leerprestaties. Slaperigheid overdag is de directe oorzaak. Deze slaperigheid ontstaat enerzijds door te weinig uren slaap en anderzijds door de kwaliteit van de slaap. Er komen nu steeds meer aanwijzingen dat slecht of te kort slapen ook gedragsproblemen kan veroorzaken. Onderzoek in zogenaamde slaaplaboratoria wordt bij kinderen echter weinig gedaan.

Aantal uren slaap
Uiteraard verschilt de slaapbehoefte per individu. Daarom moet ook voorzichtig worden omgegaan met conclusies over de effecten van te weinig uren slaap. Wat is immers te weinig? Bovendien wordt in het ene onderzoek de tijd in bed gemeten en in het andere onderzoek de werkelijke slaapduur. Dit kan nogal verschillen. Jongens slapen over het algemeen korter. Dit verschil in slaapbehoefte zie je vooral in terug in de behoefte van meisjes om uit te slapen in het weekend. Uiteraard neemt de slaapbehoefte af met het ouder worden. Recent onderzoek onder Nederlandse adolescenten toont aan dat er een relatie lijkt te zijn tussen te weinig uren slaap en agressieproblematiek. Voor jongens geldt dit in sterkere mate dan voor meisjes.

Slaapkwaliteit
Het ideale aantal uren slaap mag dan per kind verschillen, een goede nachtrust is voor alle kinderen van belang. Meisjes hebben doorgaans meer slaapproblemen dan jongens. Dit kan te maken hebben met de neiging tot piekeren en stress. Slechte slapers blijken meer gedragsproblemen te hebben, zowel op het gebied van angst en teruggetrokken gedrag als op het gebied van opstandig en agressief gedrag.

De vermoeidheid in de klas blijkt ook uit Amerikaans onderzoek een voorspeller te zijn van gedragsproblemen. Het is belangrijk om uit te zoeken waar de vermoeidheid vandaan komt. Slaapexperts wijzen bezorgde ouders op een aantal maatregelen ze kunnen nemen, voordat heil gezocht wordt in pillen:
  • Breng het kind op tijd naar bed. Kleuters moeten 11 á 13 uur slaap hebben; vanaf 6 jaar zou 10 á 11 uur moeten volstaan. Ook voor pubers is een vaste bedtijd aan te raden en minimaal 9 uur slaap.
  • Zorg voor een rustige slaapkamer: geen televisies, afleidend speelgoed, maar een koele, donkere en stille kamer.
Wanneer eventuele slaapproblemen ondanks deze maatregelen blijven bestaan, is het raadzaam een arts te raadplegen.

Bron
  • Meijer, A.M. Slaap, probleemgedrag, functioneren op school en schoolcijfers in de adolescentie. Oratie Universiteit van Amsterdam, 2011. volledig artikel