donderdag 9 februari 2012

Wie het eerst lacht, lacht het langst

Het woord humor komt uit het Grieks en betekent letterlijk sap of vocht. De oude Grieken dachten namelijk dat onze lichaamssappen onze stemming regelden. Inmiddels weten we wel beter. Toch is humor nog steeds een interessant onderwerp voor de wetenschap.

Bij heel jonge kinderen zie je al een glimlach als ze erin slagen contact met elkaar te hebben. Dit duidt er meteen op dat humor iets sociaals is. Bovendien lijkt de aanleg om te lachen dus al op jonge leeftijd aanwezig te zijn. Tweelingstudies hebben aangetoond dat humor erfelijk is: eeneiïge tweelingen die apart van elkaar zijn opgegroeid beschikken op latere leeftijd over een vergelijkbaar gevoel voor humor!
Onderzoekers van de Stanford University hebben onlangs laten zien dat bij kinderen van 6 jaar oud tijdens het lachen exact dezelfde hersengebieden actief zijn als bij volwassenen. De humor zelf ontwikkelt zich natuurlijk nog wel; die wordt met het ouder worden steeds subtieler.

Functies van humor
Lachen heeft duidelijke functies in een groep. Ten eerste is humor een belangrijke manier voor kinderen om een besef en een gevoel te krijgen van samenzijn. Ten tweede laten mensen door te lachen zien dat ze geen kwade bedoelingen hebben; dat elkaars aanwezigheid geaccepteerd wordt. Lachen is aanstekelijk; als één iemand begint met lachen, dan gaan vaak andere mensen mee lachen. Ten derde is het een test om op een onschuldige manier de grenzen te bepalen.

Werking van humor
De werking van humor berust op een zogenaamde dubbele binding. Enerzijds wordt de associatie met het onderwerp sterker; anderzijds creëer je afstand tot het onderwerp: humor relativeert immers. Op die manier maakt humor het mogelijk om buiten hokjes te denken of juist verschillende hokjes aan elkaar te linken die weinig met elkaar te maken hebben.

Gevoel voor humor speelt zich met name af in de rechterhersenhelft, terwijl onze taal, spraak en logica vooral in de linkerhersenhelft zijn vastgelegd. Door iets te leren door middel van humor, zouden er in beide hersenhelften sporen achterblijven waardoor de informatie makkelijker terug te halen zou zijn.
Interessant is dat bij het lachen ook gebieden in de hersenen actief zijn die te maken hebben met beloning. Dit vraagt om meer onderzoek.

Wat is grappig?
Jonge kinderen vinden twee dingen extreem grappig:
  • Hoe gekker hoe beter. Kinderen lachen vooral om het onverwachte en het ongepaste; als de gebeurtenis een mismatch is met hun belevingswereld. Dat kan van alles zijn: een grappig gebaar, klank of woord, abnormale acties of gebruik van voorwerpen.
  • Leedvermaak. Dit wil zeggen als anderen fouten maken, zich dom of onhandig gedragen of pech hebben. Blijkbaar voelt de toeschouwer zichzelf hier beter bij. Waarschijnlijk zal uiteindelijk de beschaving hem echter leren dat uitlachen niet zo netjes is.
Grote verschillen in humor
In kinderdagverblijven valt op dat kinderen die in hun eentje spelen nauwelijks lachen, terwijl bij samenspel volop gelachen wordt. Vooral bij fysiek spel (rennen, springen) en "doen-alsof spel" krullen de mondhoeken vaak omhoog. Maar er zijn ook grote verschillen. Humor hangt samen met cultuur, leeftijd, geslacht, intelligentie en karakter. Zelfs uiterlijk speelt een rol. Maar (gelukkig) verschilt humor vooral per individu.

Lachen is gezond
Lachen heeft zowel direct als indirect invloed op onze gezondheid en onze prestaties. Dit heeft te maken met de stoffen endorfine en dopamine die vrijkomen tijdens het lachen. De onderzoekers uit Stanford denken dat een evenwichtig gevoel voor humor kinderen kan helpen, bijvoorbeeld bij het onderhandelen tijdens de puberteit. De humor van een kind laat zich zoals gezegd echter lastig vormen. Het is een kwestie van goed observeren en ontdekken wat een kind positief beweegt. De ogen zijn meestal de beste graadmeter.

Bronnen
  • Neely, M.N. et al. Neural correlates of humor detection and appreciation in children. Journal of Neuroscience, 2012.
  • Singer, E. Social lives of young children. Co-construction of shared meanings and togethernes, humour, and conflicts in child care centers. In: Contemporary perspectives on social learning in early childhood education, 2007. 

dinsdag 7 februari 2012

Feiten en fabels over de invloed van de televisie

Feiten en fabels over de invloed van de televisie
Discussies over de invloed van televisie zijn al bijna zo oud als het apparaat zelf. Vaak wordt beweerd dat kinderen er passief en agressief van worden. Ook zouden ze geweld en seks normaal gaan vinden. Echter, wanneer de juiste programma's onder goede begeleiding gekeken zouden worden, kunnen ze er ook profijt van hebben. Hoe zit dat nu precies?

Tv-kijken kan zowel een positieve als negatieve invloed hebben. Dit hangt af van de leeftijd van het kind, van het programma zelf en van de manier waarop televisie wordt aangeboden.
  • Kinderen tussen de tweeëneenhalf en vier jaar oud lijken het meest te leren van tv.
  • Programma's waarin kinderen direct worden aangesproken in correct Nederlands en die een reactie van kinderen uitlokken zijn het meest educatief.
  • Herhaling is vooral voor peuters erg belangrijk, nog belangrijker dan in het dagelijks leven. Dat komt waarschijnlijk doordat kinderen de relatie nog niet leggen tussen de televisie en de realiteit.
  • Tv veroorzaakt omgevingsruis. Tijdens een gesprek kan hij dus beter uitgeschakeld worden.
Wanneer aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, kan het tv-kijken dus leerzaam zijn en de taalvaardigheid bevorderen. We hebben daarnaast echter ook te maken met andere effecten.

Agressieverhogend
Mediageweld verhoogt agressie bij zowel jongens als meisjes, op korte en lange termijn. Dat is al vele malen aangetoond. Maar hoe zit het met het effect van tv op zich? Sommige onderzoekers beweren dat alleen het aanstaan van de tv, zonder überhaupt te kijken, kinderen al agressiever maakt. Anderen wagen zich niet aan zulke uitspraken. Zoals zo vaak staan commerciële belangen objectieve, betrouwbare uitkomsten in de weg.

Indirecte effecten
Ook de media-opvoeding van ouders speelt een rol. Sociologe dr. Notten van de Radboud Universiteit Nijmegen heeft aangetoond dat kinderen van ouders die zelf veel tv kijken, het slechter doen op school. Zelfs de uren dat de tv aanstaat wanneer de kinderen al in bed liggen, tellen mee. Vooral amusementsprogramma's die ouders kijken hebben bepaald geen positieve bijdrage aan het niveau dat het kind zal behalen. Ouders die veel voorlezen, brengen daarentegen succesvoller kroost voort.

Morele ontwikkeling
Televisie kijken leidt echter niet tot moreel verval, zo bepleit communicatiedeskundige Krijnen in haar proefschrift. Zij onderzocht allerlei tv-programma's en ontdekte een gemende deler. Van journaal tot teletubbies, van GTST tot Shownieuws. Bij elk programma pikt de kijker er een moreel thema uit zoals vriendschap, geweld of rechtvaardigheid. "Mensen leren verschillende perspectieven zien en worden gestimuleerd een eigen positie ten aanzien van het thema in te nemen." Hierbij valt op dat kinderen in vergelijking tot volwassenen meer zwart-wit oordelen.
Sportprogramma's bleken overigens de enige uitzondering: deze stimuleren onze morele ontwikkeling doorgaans niet. Hooguit wanneer het gaat over de vraag of en hoe keepers zich mogen verdedigen als zij worden aangevallen door losgeslagen 'supporters'.

Conclusie
Als we de diverse bronnen overzien, is er weinig bewijs dat de beeldbuis zelf kinderen slechter of dommer maakt. Ze kunnen er zelfs iets van leren. Maar pas op: dat betekent niet dat ouders hun kinderen onbeperkt tv kunnen laten kijken. Meer dan één televisie per huishouden werkt sowieso averechts! Dit betekent namelijk vaak dat huiswerktijd verloren gaat aan tv-tijd op de slaapkamer. Verder zijn alle onderzoekers het eens dat ouders grenzen moeten stellen aan de tv-tijd voor kinderen. En minstens zo belangrijk, dat ze weten waar hun kind naar kijkt.

Bronnen

vrijdag 3 februari 2012

Meer alleenstaande ouders: meer problemen voor kinderen?

Steeds minder kinderen wonen bij beide ouders. Dat blijkt uit cijfers die het CBS eind januari publiceerde. Hoe ouder het kind, hoe kleiner het aandeel dat nog bij beide ouders woont. Vooral bij gezinnen met een Surinaamse of Antilliaanse afkomst ligt het percentage alleenstaande ouders hoog. Is er een relatie met de manier waarop kinderen zich in deze gezinnen ontwikkelen? In hoeverre zijn kinderen gebaat bij stabiliteit? Of is scheiden soms beter?

Het is al langer bekend dat kinderen van gescheiden ouders later zelf ook vaker problemen krijgen. Vooral jongens vertonen meer risicovol gedrag, beginnen op jongere leeftijd met seks en relaties en scheiden zelf ook vaker. Het wordt wel gezegd dat jongens vaker problemen krijgen dan meisjes. Dat zou komen doordat het gemis van een vaderfiguur voor jongens groter is. De meeste kinderen blijven na een scheiding immers bij hun moeder wonen. Hierop verder redenerend zouden jongens dus wellicht meer gebaat zijn bij hun vader te gaan wonen, of bij de aanwezigheid van een stiefvader.

Stabiliteit boven alles
In 2009 trad echter een vooraanstaande Amerikaanse onderzoekster op het gebied van familierelaties naar buiten met een heel ander verhaal. Traditionele gezinsvormen zijn volgens dr. Kamp Dush niet beter voor een kind dan moderne gezinsvormen. Belangrijker dan de gezinsvorm is stabiliteit in het gezin. Enerzijds pleit dat vóór het 'bij elkaar blijven voor de kinderen'. Anderzijds betekent het ook dat wanneer het wegvallen van een ouder al een voldongen feit is, een één-oudergezin ook stabiel kan worden. Stabiliteit zou voor kinderen dan zelfs zwaarder wegen dan het opgroeien met twee ouders. Veranderingen in de familie vallen kinderen bijna altijd zwaar. Ook als die verandering inhoudt dat er een stiefouder in huis bijkomt. De onderzoeker raadt alleenstaande ouders dan ook aan alleen te gaan samenwonen als de relatie echt serieus is en een grote kans heeft op langdurig succes.

Maar niet voor iedereen
Opvallend resultaat in het onderzoek was dat het "stabiliteit-boven-alles-principe" niet leek op te gaan voor Afro-Amerikaanse gezinnen. Hier bleek het opgroeien in een één-oudergezin wel degelijk een aanleiding voor het ontwikkelen van gedragsproblemen. Kinderen uit "intacte" Afro-Amerikaanse gezinnen deden het beduidend beter op school dan de kinderen met alleenstaande ouders.
Naar aanleiding van de cijfers van het CBS moet nu onderzocht worden of dit laatste ook geldt voor de kinderen in Nederland van Surinaamse en Antilliaanse afkomst. Wanneer blijkt dat deze kinderen hoe dan ook beter af zijn met twee ouders, moet aan deze doelgroepen wellicht speciale aandacht worden geschonken in preventie- en interventieprogramma's rondom echtscheiding en gevolgen voor kinderen.

Twijfel over objectiviteit van onderzoek
Het ingewikkelde bij onderzoek naar echtscheiding is dat onderzoeksuitkomsten soms gekleurd schijnen te zijn door persoonlijke opvattingen van de onderzoekers. Zo zouden conservatieve wetenschappers meer gedreven zijn om traditionele gezinsvormen te verdedigen en vice versa. Een kritische blik is bij deze gevoelige onderwerpen dus extra belangrijk.

Bronnen

donderdag 26 januari 2012

Liplezende kinderen vaker autistisch

Onderzoekers hebben een nieuwe aanwijzing voor autisme ontdekt bij jonge kinderen. Kinderen die zich normaal ontwikkelen, focussen vanaf een bepaalde leeftijd op de ogen van degene die tegen ze praat. Wanneer een kind echter blijft hangen in het liplezen, zoals brabbelende baby's doen, heeft het een grotere kans op autisme.

De taalontwikkeling van kinderen doorloopt verschillende stadia. Nog voordat kinderen beginnen te praten, begrijpen ze al veel. Om hun moedertaal goed te leren, zijn kinderen afhankelijk van een goed gehoor. Toch blijkt uit recent onderzoek dat behalve luisteren ook kijken heel belangrijk is bij het leren van taal. De eerste zes maanden kijkt een baby vooral naar de ogen van de spreker.

Liplezende baby's
Met zes maanden beginnen de meeste baby's met brabbelen. Dat zijn herhaalde klanken zoals mamamamam of wawadada. Als een baby luistert naar de taal van een volwassene, verschuift zijn blik in dit stadium van de ogen naar de mond. Het volgen van de lipbewegingen geeft de baby aanvullende informatie over de manier waarop klanken gemaakt worden.
Rond hun eerste verjaardag beginnen de meeste kinderen hun eerste woordjes te uiten. Twee psychologen van de universiteit van Florida ontdekten dat de blik zich vanaf dat moment weer richt op de ogen van de spreker.

Vreemde taal
De onderzoekers waren ook benieuwd waar baby's naar kijken als je ze in een vreemde taal aanspreekt. Brabbelende baby's keken zoals verwacht naar de mond, ook al sprak deze Spaans. Maar wat bleek? Oudere kinderen keken óók naar de mond, terwijl zij in hun moedertaal naar de ogen keken! Blijkbaar hadden ze moeite met de vreemde klanken.

Autisme
Deze laatste uitkomst kan volgens de onderzoekers belangrijke implicaties hebben voor het opsporen van autisme. Wanneer kinderen na hun eerste jaar nog steeds gefocust blijven op de mond, zou dit kunnen duiden op taalproblemen. Deze kinderen zouden een grote kans hebben om autisme of een andere communicatiestoornis te ontwikkelen, aldus de psycholoog. Eerder onderzoek heeft ook al aangetoond dat tweejarige kinderen met autisme oogcontact vermijden. De uitkomsten van het huidige onderzoek dragen eraan bij dat autisme in de toekomst op jongere leeftijd kan worden opgespoord.

Bronnen
  • Lewkowicz, D. & Hansen-Tift, A. Infants deploy selective attention to the mouth of a talking face when learning to speak. Proceedings of the National Academy of Sciences, 2012.
  • Website Kennislink. Baby's zijn goed in liplezen.

Fietsongeluk kan leiden tot gedragsproblemen

Het aantal kinderen dat gewond raakt door een ongeval op de fiets is de afgelopen vijf jaar flink gestegen. Dat blijkt uit cijfers die de Stichting Consument en Veiligheid onlangs presenteerde op het eerste Nationaal Congres Kinderveiligheid. Naast het directe fysieke letsel, kan er ook sprake zijn van psychologische schade. Deze kan soms pas jaren na het ongeluk zichtbaar worden.

In ruim 80 procent van de gewonde jonge fietsers gaat het om eenzijdige ongevallen. Deze zijn volgens de stichting grotendeels te wijten aan het feit dat kinderen hun aandacht niet bij het verkeer hebben. In plaats daarvan zitten ze op de fiets te bellen, gamen of chatten.

Ongelukken in feiten en cijfers
In de periode 2006-2010 meldden zich gemiddeld per jaar 14.000 kinderen tot en met 12 jaar na een fietsongeval bij de spoedeisende hulp. Van hen werden er zo'n 2000 ook in het ziekenhuis opgenomen. De meest kwetsbare leeftijden liggen rond 4 jaar en 12 jaar: als kinderen leren fietsen en zodra ze voor het eerst naar de middelbare school gaan. Van pubers is al langer bekend dat zij geneigd zijn meer risico's te nemen in het verkeer. Verder hebben jongens een aanzienlijk grotere kans op ongelukken dan meisjes.

Soorten letsel
Kinderen worden het vaakst in het ziekenhuis opgenomen met letsel aan het hoofd, zoals een hersenschudding. Hoewel het aantal dodelijke slachtoffers is gedaald, is er weinig reden tot opluchting: kinderen die het hersenletsel overleven kunnen op latere leeftijd alsnog problemen krijgen. Gedragsproblemen, concentratieproblemen en leerproblemen komen veel voor bij deze kinderen. De oorzaak wordt echter niet vaak gezocht bij die ene val van jaren geleden. Een onderzoek naar bijvoorbeeld ADHD ligt meer voor de hand. Zo raken mensen op het verkeerde spoor. De symptomen kunnen immers hetzelfde zijn. Specialistisch onderzoek kan een andere diagnose opleveren: Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH).

Dat er een tijd overheen kan gaan voor de problemen zich manifesteren, komt doordat kinderen nog volop in ontwikkeling zijn. Op sommige hersenfuncties wordt pas in de pubertijd een beroep gedaan. De omvang van het letsel zegt overigens minder over de schade dan de plaats van het letsel.
Onderzoek heeft aangetoond dat problemen op het gebied van cognitie, gedrag en emoties de grootste impact hebben op deelname aan de samenleving. Mensen met motorische, zintuiglijke of communicatieve beperkingen vinden in vergelijking makkelijker een weg om hiermee om te gaan. Wellicht is dit één van de verklaringen voor de grote omvang van het cluster 4 onderwijs?

Meer weten over dit onderwerp?
Bronnen

vrijdag 13 januari 2012

Beelddenken en begripsdenken

Beelddenken is een begrip dat steeds vaker opduikt. Het wordt in verband gebracht met tegenvallende schoolprestaties van leerlingen waarvan opvoeders het gevoel hebben dat ‘er meer in zit’. Het zouden immers vaak zeer creatieve, enthousiaste kinderen zijn. Hoe kijkt de wetenschap tegen dit fenomeen aan? En wat is de juiste aanpak in het onderwijs?

Wetenschappers zijn er nog altijd niet in geslaagd aan te tonen dat beelddenken de oorzaak kan zijn van leerproblemen bij kinderen met een normale intelligentie. Toch zijn er duidelijke verschillen tussen kinderen in de manier waarop zij informatie verwerken. Dit wordt ook wel cognitieve stijl of kortweg leerstijl genoemd.  

Van beelddenken naar begripsdenken
Beelddenk-goeroe Marion van de Coolwijk zegt dat alle mensen als 100 % beelddenker worden geboren. Immers, een baby kent nog geen woorden. Langzaam ontwikkelt het begripsdenken zich en wordt het beelddenken procentgewijs wat kleiner. School en maatschappij zijn ingericht op begripsdenkers: talig, gestructureerd, op volgorde en gericht op details en analyse. De manier van werken en denken zorgt ervoor dat het beelddenken op de achtergrond verdwijnt. Zo rond het tiende jaar stopt dit ontwikkelingsproces, volgens de expert. Er zijn mensen die dan een voorkeur blijven houden voor het beelddenken: de beelddenkers. Dit is een aangeboren aanleg. Maar, hoe eerder beelddenken (h)erkend wordt, hoe meer je nog kunt werken aan het talige begripsdenken.

De volgende kenmerken worden geassocieerd met beelddenken:
  • leren uit voorbeelden
  • liever kijken dan luisteren, fotografisch geheugen
  • denken in 3-D, goede ruimtelijke oriëntatie
  • moeite met verschillen en details onderscheiden
  • moeite met uitleggen van eigen ideeën
  • werken vanuit gehelen
  • snel, associatief, intuïtief denken
Beelddenker of dyslectisch?
Sommige kenmerken van beelddenken lijken op dyslexie. Als je driedimensionaal denkt, zijn de ‘d’ en de ‘b’ bijvoorbeeld hetzelfde. Wellicht worden kinderen uit onbekendheid met het beelddenken ten onrechte als dyslectisch gekenmerkt.

Gevolgen voor het onderwijs
Critici zijn bang dat alle aandacht voor het beelddenken ten koste gaat van het begripsdenken. Niet alleen zou hierdoor de grammatica van kinderen verslechteren, ook de rekenvaardigheid zou achteruitgaan. Beta-studies worden steeds minder populair en het kennisniveau daalt.
Anderen zeggen dat er in plaats van een niveaudaling, sprake is van niveauverschuiving. Werkvormen in het onderwijs zouden moeten worden afgestemd op de leerstijl (de ingang) van de leerling. Zo leert de één beter als hij eerst het voorbeeld voor zich ziet en de ander juist vanuit het abstracte principe. Essentieel is dat daarna de koppeling naar het andere denken volgt. Beelddenkers die er in slagen ook het talige begripsdenken te integreren, worden later niet zelden zeer succesvol.

Belang van vervolgonderzoek
De media-aandacht voor beelddenken staat op dit moment helaas niet in verhouding tot het wetenschappelijk fundament. Het is daarom belangrijk dat er meer onderzoek gedaan wordt. Ten eerste omdat het gevaar dreigt dat ouders op een verkeerd spoor worden gezet. Ten tweede om te voorkomen dat eventuele aanpassingen in het onderwijs worden doorgevoerd zonder dat daarvan de exacte gevolgen bekend zijn.

Bronnen
  • Website Kennisnet [accessed januari 2012] Leerlingzorg Archief: Beelddenken. origineel artikel
  • Kaldeway, J. Leerstijlen, danwel denkstijlen als uitgangspunt voor vakdidactische ontwikkeling, 2007. origineel artikel
  • Website Maria J. Krabbestichting [accessed januari 2012] naar website

Therapie met dieren: wat zegt de wetenschap?

Therapeuten zetten regelmatig dieren in om kinderen met gedragsproblemen tot rust te laten komen. Zorgverzekeringen zijn echter nog niet overtuigd en willen wetenschappelijk bewijsmateriaal zien.

Volgens therapeuten voelen honden perfect aan wanneer iemand onzeker, verdrietig of druk is. Ze zien wat je nodig hebt en houden je een spiegel voor. Ook van paarden wordt gezegd dat ze spanningen aanvoelen en erop in weten te spelen. Ze confronteren je met hoe je echt bent. Bovendien is het voor veel mensen een prettige ervaring om letterlijk gedragen te worden op de rug van een paard. Nog exclusiever is de dolfijnentraining, speciaal voor kinderen met autisme. Ze oefenen hier oogcontact, beurtgedrag, taal en motoriek.

Onderzoeksresultaten
Duidelijke resultaten van therapie met dieren laten echter lang op zich wachten. De therapie is duur en vereist veel organisatie. Toch is een aantal Amerikaanse onderzoekers erin geslaagd hun resultaten gepubliceerd te krijgen.
  • Een eerste pilotstudie vond plaats op een school voor kinderen met autisme. Alle kinderen kregen een schoolbreed therapeutisch programma aangeboden met twee soorten therapie: met en zonder inzet van dieren. Tijdens de sessies waarin dieren werden gebruikt bleek het taalgebruik van de kinderen aanzienlijk beter. Ook lieten ze meer sociale interactie zien. Een hoopgevend resultaat, maar de vraag bleef: wat blijft er over van het effect na afloop van de sessie?
  • Er is één recente studie bekend waarbij er ook op lange termijn effect was. Kinderen met autisme kregen twaalf sessies therapie met paarden. Twee maanden na afloop merkten de ouders nog steeds een verschil in aandacht, prikkelgevoeligheid en fijne motoriek bij hun kind. Door de leerkrachten werd dit effect echter niet meer gezien. Wellicht is dit de reden dat het onderzoek nooit gepubliceerd is in een wetenschappelijk tijdschrift.
  • In een ander onderzoek werden tijdens de therapie gebruik gemaakt van drie verschillende hulpmiddelen: een bal, een speelgoedhondje en een echte hond. In aanwezigheid van de therapiehond bleken kinderen meer plezier te hebben, beter geconcentreerd te zijn en leken ze zich meer bewust te zijn van hun sociale omgeving dan bij de bal en het speelgoedhondje.
Ondertussen in de praktijk...
Er begint langzamerhand steeds meer wetenschappelijk draagvlak te komen voor inzet van dieren in therapie. Er is echter meer onderzoek nodig. Tot die tijd zullen kosten hooguit gedeeltelijk worden vergoed door zorgverzekeringen of vanuit het PGB. Belangrijk is te realiseren dat het dier slechts een middel is, geen medicijn.

Uiteraard is niet elk dier geschikt voor therapie. Therapiedieren moeten fysiek gezond zijn en goed gesocialiseerd. Ze moeten bovendien getraind worden. Er is echter sprake van een zorgelijke wildgroei aan zelfbenoemde dierentherapeuten. Niet zelden denken mensen in geldnood op deze manier een makkelijk slaatje te kunnen slaan uit hun huisdier.
Toch kan de aanschaf van een hond zeker voordelen hebben voor een familie met kinderen met gedragsproblemen. Om dit verantwoord te doen, wordt goede begeleiding geadviseerd.

Bronnen
  • Website Dogs and Me [accessed december 2011] Honden inzetten bij therapie.
  • Martin, F. et al. Animal-Assisted Therapy for Children with Pervasive Developmental Disorders. Western Journal of Nursing Research, 2002.
  • Bass, M. The Effects of Equine Assisted Activities on the Social Functioning of Children with Autism, niet gepubliceerd, 2010. origineel artikel
  • Sams, J. Occupational Therapy Incorporating Animals for Children With Autism: A Pilot Investigation. The American Journal of Occupational Therapy, 2006.