donderdag 20 september 2012

Spreekbeurt vanuit huis

De tijd van langdurig thuiszitten en bergen achterstand oplopen is voorbij. Ook binnen het speciaal onderwijs wordt het mogelijk te leren op afstand, dankzij een geavanceerd webcam-systeem. De dr. A. Verschoorschool in Nunspeet heeft met de WebChair een primeur in huis. Leerlingen die door hun angsten of moeilijke gedrag tijdelijk niet in de klas kunnen zitten, zijn er voortaan toch gewoon bij.

Zo voelt het althans. Marlies Wesselink van de Technische Universiteit Eindhoven raakte zo enthousiast over de WebChair, dat ze besloot haar afstudeeronderzoek er aan te wijden. En de Verschoorschool wou maar al te graag haar wetenschappelijke speeltuin zijn. Op 11 september jl. presenteerde de jonge onderzoekster haar resultaten aan het grote publiek.

Marlies legt uit hoe het werkt: "Met de WebChair kunnen kinderen vanuit een veilige ruimte volgen wat er in de klas gebeurt. Ze bepalen zelf waar ze de camera op willen richten en kunnen bijvoorbeeld inzoomen op het schoolbord om beter te kunnen lezen wat er staat." Maar het werkt ook andersom, vertelt Marlies. "De leraar en klasgenoten kunnen het kind live zien op een verplaatsbaar scherm dat in de klas staat. In de kring zitten, je vinger opsteken, liedjes meezingen, een spreekbeurt houden, het kan allemaal. Leerlingen hebben dus echt het gevoel dat hun klasgenootje er gewoon bij is."

De WebChair werd oorspronkelijk ontwikkeld voor kinderen die vanwege een ziekenhuisopname niet naar school konden. Uit het onderzoek van Marlies blijkt dat er ook een andere doelgroep staat te springen om WebChairs. Veel kinderen op de Verschoorschool hebben een vorm van autisme. Bijna allemaal zijn ze extreem gevoelig voor prikkels. Dat maakt dat ze soms even 'op adem moeten komen'. Dat kan thuis, maar ook in een aparte prikkelarme ruimte in de school. Een safe-room noemen ze die op de Verschoorschool. De WebChair zorgt ervoor dat het contact met de klas toch in stand blijft, ook al zit het kind er niet echt. Dat is heel belangrijk, want hoe langer je weg bent, hoe moeilijker het is om terug te keren.


Geen doel maar middel

Marlies benadrukt dat de Webchair geen vervanging of doel op zich is. "Het is de bedoeling om kinderen geleidelijk te laten wennen aan de klas en zo te laten re-integreren." Maar bang dat kinderen de WebChair zo comfortabel vinden dat ze niet meer terug willen is Marlies niet. "Ik heb met eigen ogen gezien hoe een jongen die absoluut niet in de klas kon meedraaien, binnen een paar weken om was. Doordat hij met de WebChair van een veilige afstand mee kon kijken, zag hij al snel dat het helemaal niet zo eng was en eigenlijk best wel gezellig. Hij kreeg steeds meer het gevoel van 'ik wil daar bij zijn'. En dus was na een kort traject de WebChair al niet meer nodig."
Hoewel het voor zowel de leerkrachten als de leerlingen even wennen was hoe ze om moesten gaan met deze 'klasgenoot 2.0', reageerden de kinderen over het algemeen erg goed op de WebChair. 'Je merkt eigenlijk helemaal niet dat Stefano er niet echt bij is', merkte een klasgenootje op. Medeleerlingen mochten in de testfase ook een kijkje nemen aan de andere kant van de WebChair. Een aanbod dat maar weinig kinderen van de Verschoorschool weigerden, gezien de voorliefde voor techniek die veel kinderen met autisme hebben.


Kinderziektes

Toch waren er in het begin wel wat technische problemen, met name met het geluid en de camerabesturing. "Dan merk je hoe afhankelijk je bent van het apparaat, want op zo'n moment ben je dus meteen het contact kwijt."

Bovendien is nog niet helemaal duidelijk welke leerlingen het meeste kunnen profiteren van de WebChair. Kunnen omgaan met teleurstellingen bleek in de testfase in ieder geval een pré, gezien de frequente storingen. Marlies raadt haar opvolgers dan ook aan hier in vervolgonderzoek naar te kijken. Dát er een vervolg gaat komen is zeer waarschijnlijk, want Marlies' pionierswerk opent volgens haar begeleiders van de universiteit allerlei subsidiedeurtjes. Er is al interesse uit Amerika.

Tot slot, niet onbelangrijk, wat voor prijskaartje hangt er aan? Eén abonnement blijkt al gauw driehonderd euro per maand te kosten. Maar daarmee spaar je dure begeleidingskosten uit, belooft de producent. Een Persoons Gebonden Budget kan ouders en school bovendien tegemoet komen in de kosten. Maar uiteindelijk is het natuurlijk het resultaat dat telt.

vrijdag 31 augustus 2012

Weg met die labels!

Weg met die labels!Minder kinderen met een labeltje. Een populaire verkiezingsleus in deze campagnetijd, die menig professional en ouder aanspreekt. Maar met enkel het schrappen van een label los je de problemen van een kind natuurlijk niet op. Hoe moet het dan wel? Een korte analyse met twee deskundigen aan het woord.

De afgelopen jaren is het aantal kinderen met een stoornis explosief toegenomen. Tegelijkertijd staat het belangrijkste handboek voor de classificatie van psychische aandoeningen, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) aan de vooravond van grote veranderingen. Vijftig jaar geleden werd de DSM ingevoerd om meer eenheid te brengen in het vaststellen van diagnoses. Inmiddels, vier versies verder, is de DSM wereldwijd beroemd en berucht om zijn codes en hokjes.

Een grote verandering in de nieuwe versie die in mei 2013 uitkomt wordt de categorisering van autisme. In plaats van Klassiek Autisme, het Syndroom van Asperger en PDD-NOS komt er één categorie autisme spectrum stoornissen (ASS). De reden hiervan is dat de verschillende subtypen teveel overlap hebben en één vorm meer recht doet aan de huidige stand van kennis. Wel kan de diagnosticus aangegeven hoe hevig iemand aan de stoornis lijdt.


DSM vaak verkeerd gebruikt

Professor dr. Rutger Jan van der Gaag vindt dat de DSM 5 de beste garantie biedt voor vooruitgang in het onderzoek naar psychiatrische stoornissen, maar dat het boek vaak ten onrechte wordt gebruikt om een diagnose te stellen. "Het is een classificatiehandboek voor communicatie tussen professionals en uitgangspunt voor wetenschappelijk onderzoek." Dus niet om aan ouders uit te leggen wat hun kind heeft.

Er zijn ook tegengeluiden. Hoogleraar prof. Dr. Jan Derksen heeft bijvoorbeeld bezwaar tegen de vernieuwingen in de DSM 5. "De grenzen van stoornissen worden opgerekt tot het normale. Het gevolg is dat er steeds meer etiketten worden uitgedeeld. Daar worden weer behandelingen aan gekoppeld en zelfs geldbedragen. Dan ben je ziekte aan het bevorderen en doe je niet wat we eigenlijk moeten doen: gezondheid stimuleren."

Professor dr. Rutger Jan van der Gaag heeft daar een andere mening over. "De stoornissen zijn niet toegenomen, maar het onderwijs is minder gestructureerd geworden en de maatschappij stelt hogere eisen waardoor een stoornis vaker tot problemen leidt. Het oprekken van criteria speelt wel mee, maar dat maskeert de gevolgen van maatschappelijke veranderingen." Hij ziet meer heil in het investeren in het onderwijs, om het aantal kinderen dat last heeft van lichte vormen van ADHD en autisme terug te dringen. Hij wil de groei niet kunstmatig verminderen door de criteria weer strenger te maken, zoals wel wordt geopperd door critici.


Belangenverstrengeling

Een ander punt van kritiek is dat veel samenstellers van de DSM 5 banden hebben met de farmacie. Meer kinderen met ADHD betekent meer medicijngebruik en dus meer geld. Het onlangs verschenen boek van psycholoog Laura Batstra heeft deze discussie in de media flink doen aanwakkeren. In 'Hoe voorkom je ADHD? Door de diagnose niet te stellen' trekt Batstra fel van leer tegen de veronderstelde overdiagnose van ADHD. Vooral de farmacie moet het ontgelden. Maar de groep die zich het meest gekwetst voelt, is die van ouders van kinderen met ADHD.


Etiketjes in Passend Onderwijs
 
Tot de invoering van Passend Onderwijs is er nog altijd sprake van slagboomdiagnostiek om toegelaten te worden tot het speciaal onderwijs. Is er een DSM-classificatie vastgesteld dan kan dit deuren openen tot het speciaal onderwijs, een PGB of een vergoeding door zorgverzekeraars. Met de invoering van Passend Onderwijs verandert deze systematiek. Minder bureaucratie, zo luidt het devies. De huidige onafhankelijke regionale toelatingscommissies (CvI's) worden opgedoekt. Elk samenwerkingsverband van scholen krijgt straks één pot geld en regelt haar eigen toelatingseisen. Maar hoe die eisen eruit gaan zien is nog niet bekend. Wellicht aan de hand van een nieuwe DSM-classificatie?


Bron

donderdag 16 augustus 2012

Feedback niet altijd goed voor prestatie

Al uw aanmoedigingen en opbouwende kritiek aan uw kinderen en leerlingen zouden wel eens verspilde energie kunnen zijn. Die conclusie zou je kunnen trekken uit het onderzoek van dr. Magda Osman van de Universiteit van Londen. Gelukkig wordt de soep iets minder heet gegeten. Het effect van onze feedback valt of staat bij een goede dosering.

Dr. Osman ontdekte dat de feedback die we geven aan onze omgeving niet altijd het gewenste effect heeft. Soms zelfs een averechts effect. "Het belang van feedback is overschat, zo blijkt uit onze studie. Mensen denken dat feedback altijd goed is voor de prestaties, hoe vaker hoe beter. Wij hebben echter aangetoond dat de prestatie op ingewikkelde taken juist verslechtert als je mensen tussentijds feedback geeft."
Dr. Osman denkt dat de prestatie achteruit gaat doordat mensen overspoeld worden met informatie. Of het nu positieve of negatieve feedback was, mensen werden er door afgeleid en konden zich minder goed concentreren op het maken van de juiste keuze.

Tijdens het onderzoek moesten honderd proefpersonen een inschatting maken van de gezondheid van een baby en vertellen wat het kind volgens hun nodig had. Een ingewikkelde taak, die veel aandacht en sensitiviteit van een proefpersoon vergt. Volgens dr. Osman kun je deze setting goed vergelijken met andere complexe situaties. Als voorbeeld noemt ze de introductie van groene energiemeters in huishoudens. "Dit apparaat geeft exact aan hoeveel energie je op dat moment gebruikt. De feedback die de meter geeft verandert dus voortdurend. Als mensen niet weten door welke apparaten de schommelingen worden veroorzaakt, kunnen ze geen betekenis geven aan de feedback. Hoe leren ze dan hun energieconsumptie te verminderen?"

De onderzoekster ziet ook een risico in alle app's op mobiele telefoons. Voordat we deur uitgaan checken we de buienradar en de files. Met de trein dan maar? Even je reissaldo controleren. De stappenteller zeurt dat je nog niet genoeg gelopen hebt vandaag. Hoe sympathiek en handig het allemaal ook lijkt, er is misschien een maximum aan informatie wat nog bevorderlijk is voor het maken van een goede keuze.


Spreken is zilver, ...

Nu terug naar school. De Universiteit Utrecht heeft enkele jaren geleden een onderzoek gedaan naar de feedback van docenten tijdens zelfstandig werken op vier middelbare scholen. De onderzoekers stelden vast dat docenten hard hun best doen hun feedback positief te formuleren. Ze zijn er primair op gericht dat een vastgelopen leerling weer verder kan. Hierbij gaan ze echter te weinig in op de eisen waaraan het werk moet voldoen.
Het meest opvallende was dat ook docenten geneigd zijn tevéél feedback te geven. Dit zou ten koste gaan van de verwerking ervan bij leerlingen. In plaats daarvan zouden ze de leerling meer aan het woord moeten laten om het probleem precies te omschrijven en ze naderhand te laten vertellen hoe ze het probleem denken te gaan aanpakken. De leerlingen waren overigens wel tevreden over de feedback die ze kregen, al merkten zij ook op dat het vaak wel erg positief gekleurd was.


Storend of stimulerend

Een belangrijke vraag is in hoeverre we deze onderzoeksuitkomsten kunnen toepassen op het speciaal onderwijs en zorgleerlingen in het algemeen. Het belang van positieve aandacht staat bij deze kwetsbare doelgroep niet ter discussie. Maar voor wat betreft de hoeveelheid feedback is het denkbaar dat kinderen met een korte aandachtsspanne wellicht nog sneller gehinderd worden door tussentijdse feedback. Een onderzoek moet dan uitwijzen of een eventueel nadelig effect van feedback bij deze kinderen opweegt tegen het positieve effect van aanmoediging.


Bronnen

woensdag 11 juli 2012

Facebook maakt niet depressief

Facebook maakt niet depressief
Ouders hoeven zich niet al te druk te maken om het Facebookgebruik van zoon of dochterlief. Onderzoekers van de Universiteit van Wisconsin hebben aangetoond dat je van Facebook niet ongelukkig wordt.

De laatste tijd werd vanuit verschillende hoeken beweerd dat overmatig social media-gebruik ons depressief maakt. Best iets bij voor te stellen als je de hele dag geconfronteerd wordt met de aaneenschakeling van hoogtepunten uit het leven van iedereen behalve jezelf. Onderzoekers hebben echter geen verband kunnen vinden tussen social media-gebruik en depressie. Facebook, met 900 miljoen geregistreerde gebruikers het populairste medium, is dus onschadelijk. Einde discussie?


Onderzoek per sms
In werkelijkheid is het natuurlijk wat complexer. Het behoeft geen bewijs dat tien uur per dag op Facebook voor niemand gezond is. In het onderzoek gaat het echter om het verschil met andere internetbezoekjes. Onderzoekers controleerden bij 190 studenten tussen de 18 en 23 jaar gedurende een week hun internetgebruik. Dit deden ze door de proefpersonen op willekeurige momenten smsjes te sturen met drie vragen:
  • Ben je op dit moment online?
  • Hoe lang ben je al online?
  • Wat ben je aan het doen op internet?
De proefpersonen moesten hun antwoorden van de in totaal 43 smsjes zorgvuldig registreren. Ook werden alle 190 studenten klinisch gescreend op depressieve symptomen. Vervolgens werden deze gegevens aan elkaar gekoppeld.


Nuancering van eigen werk
Uit de analyse bleek dat de studenten meer dan de helft van hun internettijd aan Facebook spendeerden. De onderzoekers vonden echter geen verband met depressie. Studenten die veel van hun internettijd aan Facebook besteedden waren niet ongelukkiger dan studenten die een klein deel van hun totale internettijd op het sociale medium doorbrachten. Toch nuanceren de onderzoekers dit zelf enigszins: "Hoewel de tijd op Facebook niet samenhangt met depressie, moedigen we ouders toch aan om zelf een actief rolmodel voor hun kind te zijn. Zorg voor veilig en gebalanceerd mediagebruik."

Waarom adviseren ze dit als ze net hebben aangetoond dat het onschadelijk is? Er zijn blijkbaar meer factoren die meespelen. Dr. Megan Moreno licht zelf toe: "Wanneer het gedrag van een kind niet verandert, het kind vrienden heeft en de schoolcijfers stabiel blijven is er geen reden tot bezorgdheid." Is dit wél het geval, dan doet u er waarschijnlijk toch goed aan eens een gesprek met uw kind te voeren over Facebook. Uit dit onderzoek blijkt echter dat eventuele problemen evengoed kunnen voortkomen uit computergames. Facebook zelf is niet schadelijker dan ander internetgebruik.


Bron

vrijdag 6 juli 2012

Kinderen onvoldoende gehoord in rechtbank

Kinderen in Nederland kunnen onvoldoende hun stem laten horen bij beslissingen die over hen gaan. Niet alleen kinderen en hun ouders, maar ook hulpverleners, advocaten en zelfs rechters hebben te weinig kennis van de mogelijkheden voor minderjarigen om hun recht te halen of gehoord te worden in de rechtbank. Dat concludeert de Kinderombudsman Marc Dullaert in zijn onderzoek dat gisteren is aangeboden aan minister Opstelten van Veiligheid en Justitie.

De Kinderombudsman heeft de afgelopen maanden onderzoek gedaan naar de inzet van de bijzondere curator. De bijzondere curator kan door de rechter aangesteld worden als het belang van een kind in de knel dreigt te raken, bijvoorbeeld bij (v)echtscheidingen of bij strijd tussen ouders en jeugdzorg. Meestal is de bijzonder curator een advocaat, psycholoog of pedagoog. Een familielid heeft doorgaans niet de voorkeur van de rechter, omdat er dan andere belangen op het spel kunnen komen te staan en de familiebanden nog verder op scherp worden gezet.

Het aantal verzoeken en benoemingen van bijzondere curatoren wordt door de rechtbanken niet bijgehouden. De Kinderombudsman heeft voor zijn onderzoek daarom gebruik gemaakt van ervaringen van de verschillende betrokkenen. Daaruit blijkt een grote onbekendheid met de mogelijkheden van een bijzondere curator. Dit terwijl er veel situaties zijn waarin deze een belangrijke rol kan spelen, bijvoorbeeld wanneer kind, ouder en gezinsvoogd het niet met elkaar eens zijn over een omgangsregeling na een echtscheiding of over uithuisplaatsing.


Lot uit de loterij

Rechtbanken hanteren verder geen duidelijke lijn in de benoeming van bijzondere curatoren. Ook constateert de Kinderombudsman dat er geen kwaliteitsnormen zijn waaraan de bijzondere curator moet voldoen. Dit leidt tot rechtsongelijkheid. In beroep gaan tegen een afwijzing van een verzoek is onmogelijk. Het krijgen van een bijzondere curator is daarmee op een loterij gaan lijken. Je moet als kind maar hopen dat je een goed lot treft.

Rechters en bijzonder curatoren zijn het niet met elkaar eens welke kinderen een bijzonder curator zouden moeten krijgen. Bijzonder curatoren pleiten voor het loslaten van de minimumleeftijd van twaalf jaar. Rechters zouden volgens hen meer moeten kijken naar de rijpheid van het kind. Rechters zijn vaak van mening dat zij zelf prima in staat zijn naar de mening van het kind te luisteren, vooral bij wat oudere kinderen. De bijzonder curatoren zien echter wel hun eigen meerwaarde in het afwegen en behartigen van het belang van het kind.


Kinderrecht in het nauw

De Kinderombudsman pleit er voor om in alle situaties waarin kinderen in de knel dreigen te raken een bijzonder curator te benoemen. Ook moeten er kwaliteitsnormen worden opgesteld waar bijzondere curatoren aan moeten voldoen. Tot slot beveelt de Kinderombudsman aan om te registreren hoe vaak een bijzonder curator wordt benoemd en om een landelijk registratiesysteem van bijzonder curatoren op te zetten.

Het verdrag inzake de Rechten van het Kind (1990) stelt dat ieder kind de gelegenheid moet hebben om zijn of haar mening te geven in juridische kwesties die voor het kind van belang zijn. De Kinderombudsman hoopt dat minister Opstelten zijn aanbevelingen op zal volgen, zodat de afspraken uit het verdrag in de toekomst beter nageleefd zullen worden.


Bronnen

woensdag 27 juni 2012

Drinken tijdens zwangerschap minder schadelijk dan gedacht

Drinken tijdens zwangerschap minder schadelijk dan gedacht
Af en toe een glaasje wijn tijdens de zwangerschap kan helemaal geen kwaad. Ook vrouwen die na een avondje flink stappen tot hun schrik ontdekken dat ze zwanger zijn, kunnen opgelucht ademhalen. Hun kinderen blijken zich even goed te ontwikkelen als het kroost van geheel onthoudende moeders. Zo luidt althans de conclusie van een nieuw Deens onderzoek.

Matige alcoholconsumptie tijdens de zwangerschap is niet schadelijk voor de ontwikkeling en intelligentie van een kind. Dat schrijft de Deense dr. Ulrik Schiøler Kesmodel in Journal of Obstetrics and Gynaecology, het belangrijkste vakblad van de gynaecologie. Hij benadrukt hierbij wel dat het gaat om kleine hoeveelheden alcohol. Eén glaasje per dag, en hooguit zes in de week. Maar ook als je een paar keer te diep in het glaasje hebt gekeken voordat je weet dat je zwanger bent, is er geen reden tot paniek.

Relaxter omgaan met alcohol
Het onderzoek is gebaseerd op 1628 kinddossiers en is daarmee één van de omvangrijkste studies op dit terrein. De onderzoekers registreerden het alcoholgebruik van de moeders tijdens de zwangerschap. Op vijfjarige leeftijd moesten de kinderen allerlei testjes doen om hun intelligentie, aandacht, planning- en organisatievermogen in kaart te brengen. Er bleken geen verschillen te bestaan tussen de kinderen van matig drinkende en niet-drinkende moeders.
"Een belangrijke bijdrage aan de gezondheidsinformatie voor aanstaande moeders", zegt Kesmodel in het persbericht van de uitvoerende Universiteit van Aarhus. "Dit onderzoek laat zien dat we best wat relaxter om mogen gaan met alcoholgebruik tijdens de zwangerschap. Nu is de berichtgeving verwarrend, vrouwen krijgen zelfs van professionele instanties verschillende adviezen. Dat kan onnodige stress opleveren."

Het zekere voor het onzekere
Aan de andere kant is er best iets te zeggen voor geheelonthouding tijdens de zwangerschap, zo reageert de Nijmeegse huisarts Brian Kerssemeijer desgevraagd. "Er zullen altijd vrouwen zijn die zich er achteraf schuldig over gaan voelen, met name als zich onverhoopt toch problemen voordoen in de ontwikkeling van hun kind. Dan kan het honderd keer wetenschappelijk zijn aangetoond dat alcohol onschadelijk is, als moeder neem je wellicht toch liever het zekere voor het onzekere."

Diane Black van de Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) Stichting Nederland heeft ook zo haar bedenkingen. "Dit onderzoek gaat alleen in op eventuele cognitieve schade bij kinderen. Verhoogde risico's op bijvoorbeeld kinderkanker hebben ze niet onderzocht. Bovendien laten andere studies zien dat kinderen van drinkende moeders zelf ook op jongere leeftijd beginnen te drinken. Verder hebben de onderzoekers  mogelijke groeistoornissen buiten beschouwing gelaten".

Black betreurt het gebrek aan nuance in de pers naar aanleiding van dit onderzoek. "Nu lijkt het net alsof het schadelijke effect van alcohol hiermee van de baan is. De werkelijkheid zit complexer in elkaar. Sommige vrouwen kunnen zwaar drinken en toch een gezond kind op de wereld zetten. We weten dat jonge moeders met een eerste zwangerschap minder risico lopen. Maar het verschilt per persoon; wie kan een vrouw precies vertellen hoeveel alcohol voor haar nog verantwoord is?". De FAS-stichting blijft daarom bij het advies van de Gezondheidsraad: niet drinken is het allerveiligst.

Soepeler beleid, minder alcohol
Kesmodel is niet bang dat mensen dit onderzoek verkeerd zullen interpreteren of misbruiken. "In 1999 heeft de Deense Gezondheidsraad haar richtlijn al een keer bijgesteld naar een minder restrictief beleid. Toen werd er juist een afname in alcoholgebruik onder zwangere vrouwen geconstateerd." Inmiddels is er een conservatievere commissie aangesteld die het versoepelde beleid weer teruggedraaid heeft. De onderzoeker koestert dan ook weinig hoop dat de Gezondheidsraad haar richtlijn opnieuw zal verruimen. 
Toch kunnen professionals in de gezondheidszorg zich volgens de Deense onderzoeker beter richten op andere vormen van preventie bij aanstaande moeders. "Van roken en overgewicht is bijvoorbeeld wél overtuigend bewijs dat het schadelijke gevolgen kan hebben voor kinderen."

Bron

donderdag 14 juni 2012

Dikke kinderen slechter in rekenen

Dikke kinderen slechter in rekenen
Het zijn makkelijke prooien voor pesters. Ze lopen een verhoogd risico op gezondheidsklachten. Belanden vaak in ongemakkelijke situaties, rampzalige gymlessen, kleding die niet past. De nadelen van overgewicht zijn al talrijk, en sinds vandaag kunnen we er wéér een aan het lijstje toevoegen. Kinderen met overgewicht zijn ook nog eens slechter in rekenen.

Onderzoekers van drie Amerikaanse universiteiten hebben een duidelijk verband gevonden tussen rekenen en overgewicht. Dikke kinderen van zeven jaar en ouder presteren beduidend slechter dan hun slanke leeftijdsgenootjes. De onderzoekers volgden meer dan 6250 kinderen gedurende hun hele basisschooltijd. De kinderen werden op vijf momenten gemeten, gewogen en beoordeeld op hun sociaal, cognitief en emotioneel functioneren door middel van diverse vragenlijsten.

Het verband tussen overgewicht en slecht rekenen bleek alleen op te gaan voor kinderen die vanaf de kleuterklas al te zwaar waren geweest. Kinderen die pas op latere leeftijd te dik werden, bleven opvallend genoeg níet achter op rekengebied.
Vreemd, zit er dan verschil tussen 'oud' en 'nieuw' vet? Hoe eerder het ontstaan is hoe schadelijker? Of gebeurt er tijdens de kleuterjaren iets cruciaals met de rekenhersens van kleuters, iets wat onherstelbaar beschadigd raakt bij te dikke kinderen?

Eenzaam, ongelukkig en angstig
De onderzoekers zien de emotionele belasting van het overgewicht als belangrijkste oorzaak voor de slechte rekenprestaties. Dikke kinderen zijn eenzamer, ongelukkiger en angstiger. Dit moet hun slechte prestaties verklaren. Maar je zou verwachten dat kinderen die pas laat in de basisschool vet gaan vasthouden, hier minstens zo veel last van hebben als kinderen die ermee zijn opgegroeid. Zij ervaren dan pas voor het eerst hoe het is om anders te zijn. De kinderen die het van jongs af aan hadden weten niet beter, maar de 'nieuwe zwaarlijvigen' maken deze verslechtering van hun conditie wel degelijk bewust mee. Uiterlijk gaat bovendien een steeds belangrijkere rol spelen, dus het is moeilijk voor te stellen dat deze kinderen geen last hebben van hun overgewicht.
Aan de andere kant hebben deze kinderen misschien wél kunnen profiteren van hun slanke jeugd, waardoor hun basis beter is: meer zelfvertrouwen en betere copingstrategieën. Beide zeer handige eigenschappen bij het rekenen.

Wat kunnen we met deze resultaten? Ongeacht de verklaring van het verband is het weer een extra waarschuwing voor ouders. Zorg voor voldoende beweging en gezonde voeding voor uw kind. Vandaag is het nog het rekenen, maar morgen blijken ze ook nog agressiever, duurder of slecht voor het milieu.

Bron